Stonehenge gaf de zomer- en winterzonnewende aan

Conflicten gaven een kink in de kalender

Door de geschiedenis heen proberen mensen het verloop van het jaar te berekenen. Dit heeft gevolgen voor de zaaitijd, oogsttijd, feesten en nog veel meer, maar sinds de eerste kalenders verschenen, hebben we ze voortdurend moeten aanpassen, zodat ze gelijklopen met de seizoenen.

Door de geschiedenis heen proberen mensen het verloop van het jaar te berekenen. Dit heeft gevolgen voor de zaaitijd, oogsttijd, feesten en nog veel meer, maar sinds de eerste kalenders verschenen, hebben we ze voortdurend moeten aanpassen, zodat ze gelijklopen met de seizoenen.

Shutterstock

Zolang de mens het land bewerkt, probeert hij al de tijd bij te houden.

Een van de vroegste getuigenissen van deze drang is het prehistorische monument Stonehenge in Engeland. Hier hielden mensen bij hoe de zon opkwam tijdens de zomer- en winterzonnewende. Of het gebruikt werd als een echte kalender of als een decor voor een zonnecultus is nu, 5000 jaar later, moeilijk te zeggen.

Kalenders en culten zijn echter nauw met elkaar verbonden omdat het in alle culturen belangrijk is dat feestdagen en ceremonies op het juiste tijdstip plaatsvinden, vaak in relatie tot de hemellichamen.

De joden en de oude Grieken richtten hun kalenders zo in dat bepaalde feesten altijd met vollemaan plaatsvonden, en de christenen laten Pasen afhangen van vollemaan en de equinox.

Een kalender is een schema van een jaar. Het jaar is een cyclus van de seizoenen winter, lente, zomer en herfst. Het kan bestaan uit twaalf rondjes van de maan of het wordt berekend aan de hand van de zon of een ster.

Als je de zon gebruikt, zijn er drie soorten jaren. Een tropisch jaar gaat uit van de gemiddelde tijd tussen twee lente-equinoxen, wanneer de zon pal boven de evenaar staat. De lengte is precies 365 dagen, 5 uur, 48 minuten en 46 seconden. De kalender volgt de seizoenen omdat die afhangen van de stand van de zon ten opzichte van de aarde.

Christenen laten Pasen afhangen van vollemaan en de equinox.

De tweede berekening betreft het siderische jaar, dat astronomen gebruiken. Het hangt af van de positie van de zon ten opzichte van de sterren. De lengte is 365 dagen, 6 uur, 9 minuten en 10 seconden.

En ten slotte kun je gebruikmaken van een anomalistisch jaar: de tijd tussen de keren dat de aarde het dichtst bij de zon staat. Het duurt 365 dagen, 6 uur, 13 minuten en 53 seconden.

In de moderne kalender is de lengte van het jaar vastgesteld op 365 dagen, 5 uur, 49 minuten en 12 seconden.

Babyloniërs volgden de maan

De eerste echte kalender die we kennen is die van de Babyloniërs van circa 3000 v.Chr. Dat was een lunisolaire kalender, wat betekent dat hun jaar 12 rondjes van de maan duurde met af en toe een extra maand, zodat de kalender op de seizoenen aansloot. Een maanjaar is maar 354 dagen lang, tegen 365 dagen van het zonnejaar.

De oude Egyptenaren kenden de Babylonische kalender, maar de hoogtepunten van het jaar werden bepaald door de Nijl, want overstromingen waren van cruciaal belang voor de landbouw. En dus richtten de Egyptenaren hun kalender zo in dat hij ruwweg overeenkwam met de seizoenen, dus het zonnejaar.

Egyptenaren richtten kalender in naar overstromingen

De Egyptenaren berekenden hun jaartelling aan de hand van de overstromingen van de Nijl.

© Shutterstock

Hun kalender telde 365 dagen per jaar, die ze verdeelden in 12 maanden van 30 dagen. De laatste vijf dagen werden gevierd als de verjaardagen van vijf goden: die van Osiris, Horus, Seth, Nephthys en Isis.

De Egyptenaren kenden geen schrikkeljaar. Daarom ging hun jaar voorlopen op de seizoenen – en na 1460 jaar zou een heel jaar zijn volgemaakt.

Dit plaatste de Egyptische priesters voor een dilemma, want dan zouden ze mogelijk de stijging van de Nijl vieren wanneer deze juist aan het dalen was. Maar ze deden niets om de fout recht te zetten en dwarsboomden bijvoorbeeld de poging van farao Ptolemaeus III om schrikkeljaren in te voeren.

De grote hervormer van de kalender in de oudheid was dan ook Julius Caesar (100-44 v.Chr.).

Tijdens zijn verblijf in Egypte ontmoette Caesar waarschijnlijk Griekse astronomen en leerde hij over de Egyptische kalender, wat hem inspireerde tot een hervorming. Terug in Rome was de kalender ook niet meer in orde, met korte jaren van 355 dagen. De jaren werden voortdurend aangepast met schrikkeldagen en schrikkelmaanden. De Romeinse priesters, de pontifexen, hadden de taak die schrikkelmaanden toe te voegen.

Maar omdat zij ook een politieke agenda hadden en er in Caesars tijd verdeeldheid tussen hen was ontstaan, lieten ze het na, want de kalender had ook economisch en politiek belang.

Zevendaagse week kwam uit Babylonië
© Rabatti & Domingie/Akg-Images/Ritzau Scanpix

Zevendaagse week kwam uit Babylonië

Volgens de Bijbel schiep God de wereld in zeven dagen. Maar voordat het christendom zijn intrede deed, hadden de Romeinen hun oude achtdaagse week al vervangen door een zevendaagse, en de astrologen hadden het idee van Babylonië. Daar hadden ze al lang een zwak voor het getal zeven, misschien geïnspireerd door de zeven bewegende hemellichamen: de zon, de maan, Mars, Mercurius, Jupiter, Venus en Saturnus.

De Maya’s hielden niet van extra dagen
© Unknown

Alle kalenders hebben ongeluksdagen

Bij veel volken zouden bepaalde dagen ongeluk brengen. Wij zijn bijvoorbeeld bang voor vrijdag de 13e. De Egyptenaren en Maya’s voerden vijf extra feestdagen in, waardoor het jaar in de pas liep, maar die dagen brachten wel ongeluk, dachten ze.

Maanden hebben Romeinse namen
© Rabatti & Domingie/Akg-Images/Ritzau Scanpix

Maanden hebben Romeinse namen

De kalender van Julius Caesar heeft, ondanks zijn gebreken, zo goed stand gehouden dat wij nog steeds de Romeinse namen van de maanden gebruiken. Het Romeinse jaar begon ooit op 1 maart. Maart is genoemd naar de god Mars, die behalve voor oorlog ook stond voor groene planten en dus voor de lente. De oorsprong van ‘april’ naam is onzekerder. Mogelijk is het woord afgeleid van het Latijnse woord aperire, openen. Mei is genoemd naar de vruchtbaarheidsgodin Maya.

Een kort jaar zou onder meer betekenen dat de schatkist sneller vol zou lopen omdat de belastingen aan het eind van het jaar verschuldigd zijn. Het was ook de tijd waarin mensen op belangrijke posities werden vervangen.

Een jaar had 445 dagen

Maar in 47 v.Chr. was Caesar zowel alleenheerser als pontifex maximus, hogepriester. Hij had nu de kennis én de macht om de kalender te hervormen. Hij stelde een panel samen van Romeinse priesters en Griekse astronomen, en er werd besloten dat het jaar dat wij 45 v.Chr. noemen, het eerste jaar van de nieuwe kalender zou zijn.

Om het in overeenstemming te brengen met de seizoenen, werd jaar 46 met drie schrikkelmaanden verlengd. Het jaar was 355 dagen plus 90, dus in totaal 445 dagen – het langste jaar ooit.

De Romeinen waren gewend aan schrikkelmaanden, maar het moet vreemd zijn geweest: In de schrikkelmaanden waren er geen religieuze feestdagen. Bovendien was het lastig om bijvoorbeeld brieven te dateren, en mensen die in die tijd geboren waren, zullen later moeite hebben gehad met het berekenen van hun eigen verjaardag.

Daarna werden de tien extra dagen, die het jaar aanvulden tot 365 dagen, over de maanden verdeeld.

Als een goed pontifex voegde hij ze aan het eind van de maand toe, zodat ze de feestdagen van die maand niet in de weg zouden staan. Hij voerde ook een schrikkeldag in om de vier jaar, zoals in onze kalender.

Caesar stelde nieuwjaarsdag vast op 1 januari, maar dat werd daarna een aantal keer omgegooid, en pas in de 18e eeuw kwam die datum definitief vast te liggen.

Monnik doet gooi naar geboorte van Christus

De christelijke kerk – in de persoon van de monnik Dionysius Exiguus – begon de tijd te berekenen na Jezus’ geboorte.

In wat wij 525 n.Chr. noemen beseften de christenen dat de tijdrekening zo’n janboel was dat ze Pasen mogelijk niet allemaal op hetzelfde tijdstip vierden. Dus moesten er voor de jaren daarna tabellen komen voor Pasen, en dus van vollemaan en de dag-en-nachteveningen.

Dionysius was er de juiste man voor, maar had ook zijn eigen project, namelijk de invoering van een nieuwe kalender. In die tijd telde Europa vanaf de stichting van Rome, en Egypte telde vanaf het moment dat Diocletianus in 284 n.Chr. keizer werd. Dionysius was hier echter niet blij mee.

‘Wij moeten onze jaren niet verbinden met de nagedachtenis van de goddeloze vervolger, maar ze tellen vanaf de geboorte van onze Heer Jezus Christus,’ schreef hij. Diocletianus was inderdaad een groot vervolger van christenen.

Kalenderstok hield feestdagen bij
© Archives Charmet/Bridgeman Images

Kalenderstok hield feestdagen bij

Tot in de 19e eeuw waren gedrukte kalenders aan weinigen voorbehouden. De meest verbreide kalender in Scandinavië was een houten stok. Alle dagen zijn op de stok aangegeven met inkepingen of, zoals op deze stok, met runen, en naast de feestdagen zijn gestileerde figuren gekerfd.

Franse week had tien dagen
© Photo12/Universal Images Group/Getty Images

Franse week had tien dagen

Een kalender kan ook de identiteit versterken, zoals met nationale dagen of speciale religieuze vieringen. Een goed voorbeeld is de Franse revolutionaire kalender, ingevoerd in 1793. De bedoeling was af te rekenen met oude, op de kerk gebaseerde tradities en een nieuwe – en astronomisch correcte – tijd in te voeren. De Fransen introduceerden een tiendaagse week en alle maanden kregen 30 dagen en nieuwe namen.

Landen voerden de Gregoriaanse kalender in
© Akg-Images/Ritzau Scanpix

Landen voerden nieuwe kalender in

In Zwitserland en Nederland liepen de twee kalenders lange tijd parallel omdat de bevolking uit katholieken en protestanten bestond, maar uiteindelijk werd het duidelijk dat de Juliaanse kalender niet houdbaar was. In Denemarken stelde de astronoom Ole Rømer voor over te stappen op de Gregoriaanse kalender, wat in 1700 gebeurde. Ook Duitsland nam in 1700 de Gregoriaanse kalender aan.

Dionysius schatte dat Jezus rond de 30 jaar was toen hij werd gekruisigd. Hij bepaalde daarom dat het jaar 284 na de benoeming van Diocletianus tot keizer overeenkwam met 532 n.Chr. Het voordeel van dit jaartal was dat de schrikkeljaren om de vier jaar zouden vallen, wat makkelijk te onthouden is.

Maar het jaar van Jezus’ geboorte is een gok: Augustus hield geen volkstelling in het jaar 1. Anderen hebben sindsdien geprobeerd Jezus’ geboorte te dateren aan de hand van planeetstanden, maar niets is zeker, en dus houden we ons nog steeds aan Dionysius’ jaartal.

Tien dagen overgeslagen

Hoewel het Romeinse Rijk uiteengevallen was, bleef Caesars kalender lopen, maar circa 1500 jaar na Caesars hervorming begonnen de ingebouwde fouten merkbare problemen te veroorzaken. De Kerk had het lentepunt vastgesteld op 21 maart, maar geleidelijk aan viel dit steeds vroeger, en in 1451 was het vervroegd tot 12 maart.

Vollemaan moest op 19 maart vallen, en dan zou het Pasen zijn – maar op 16 maart was het al vollemaan. Er was dus iets goed mis, en in 1575 ging de Italiaanse astronoom Luigi Lilio naar kardinaal Cervino met een voorstel: er mochten voortaan slechts 97 schrikkeljaren in 400 jaar zijn. Cervino stuurde hem door naar kardinaal Sirtelo.

Helaas stierf Luigi Lilio, maar zijn broer Antonio gaf het door aan de paus, Gregorius XIII. De paus stelde een commissie in, en na advies daarvan vaardigde hij in 1582 een decreet uit dat tien dagen in oktober moesten worden overgeslagen, en dat er om de vier jaar een schrikkeljaar moest komen, behalve in de honderdtallen – maar weer wel in de 400-tallen.

Daarom was 1900 geen schrikkeljaar, en 2000 wel. De nieuwe kalender, die de Juliaanse van Caesar verving, werd de Gregoriaanse kalender genoemd, naar de paus.

Hervorming is moeilijk te verteren

Hoewel de nieuwe en verbeterde kalender veel problemen oploste, werd hij lang niet overal warm onthaald. Hij kwam kort na de Reformatie, die de Kerk in Europa had gesplitst in katholiek en protestants.

De katholieke landen schakelden snel over op de Gregoriaanse kalender, maar de protestanten waren natuurlijk niet bereid de katholieke paus te volgen. Zij zagen zijn kalenderdecreet als machtsvertoon en een poging om de feestdagen te bepalen.

Dit betekende dat in Zwitserland en Nederland de twee kalenders lange tijd parallel liepen, omdat de bevolking uit katholieken en protestanten bestond. Maar het werd geleidelijk duidelijk dat de Juliaanse kalender niet houdbaar was. In 1695 ging de Deense astronoom Ole Rømer naar de koning en stelde voor dat Denemarken-Noorwegen in 1700 zou overstappen, waarmee de koning in 1699 instemde.

Opdat Denemarken-Noorwegen niet de enige protestantse staat zou zijn die zou overstappen, werden onderhandelingen gevoerd met de protestantse Duitse staten en met Zweden. De Duitsers sloten zich in 1700 aan, maar het duurde tot 1753 voordat Zweden de Gregoriaanse kalender aannam. Finland, dat toen onder Zweden viel, ging erin mee, terwijl Rusland na de Revolutie in 1918 overstapte, en Griekenland pas in 1923.

De orthodoxe kerken gebruiken nog steeds de Juliaanse kalender, waardoor Pasen soms en Kerstmis altijd verschillen van de onze. Groot-Brittannië veranderde van kalender in 1752, ondanks sterke tegenstand van het volk, omdat de hervorming betekende dat er in één klap tien dagen werden overgeslagen. Na de hervorming gingen mensen de straat op, al roepend: ‘Geef ons onze tien dagen terug!’

De moeilijkheid bij het maken van een kalender die naadloos aansluit op het jaar is dat het zonnestelsel er blijkbaar niet voor ontworpen is. Een zonnejaar is niet een geheel aantal dagen lang, een probleem dat moet worden opgelost met schrikkeljaren. Maar zelfs de huidige kalender, de Gregoriaanse, is niet perfect. Hij zou 31 schrikkeljaren in 128 jaar moeten hebben in plaats van 97 in 400.