Wetenschap begrijpt intelligentie niet eens

Duizenden mensen hebben hun mentale capaciteiten laten meten en de resultaten zijn geanalyseerd naar geslacht, leeftijd, omgeving en erfelijkheid. Dit is al ruim een eeuw aan de gang, maar wetenschappers weten nog steeds niet wat intelligentie is, of waarom sommigen slimmer zijn dan anderen. En de resultaten van het onderzoek roepen meer vragen op dan ze beantwoorden.

Shutterstock

Voor alle Schotse kinderen van 10 en 11 was 1 juni 1932 een bijzondere schooldag, die begon met een intelligentietest.

Drie kwartier lang zaten de leerlingen gebogen over de woorden, zinnen, cijfers en figuren van de test, ontworpen door psycholoog Sir Godfrey Thomson van de universiteit van Edinburgh.

Het doel ervan was het lesmateriaal op school te verbeteren en een overzicht te krijgen van het aantal leerlingen dat te maken had met een mentale aandoening, zodat ook hun onderwijs kon worden verbeterd.

Het onderzoek, gehouden onder 87.498 kinderen, was het grootste ooit, en tot in de jaren 1960 werden de gegevens gebruikt in psychologische lesboeken. Maar daarna raakten ze in de vergetelheid.

De testresultaten lagen stof te vergaren op de vlieringen en in de kelders van de universitaire opslagruimten in heel Edinburgh, totdat een andere lokale psycholoog, Ian Deary, ze in 1996 aantrof.

En Deary wist meteen waarvoor hij ze zou gebruiken: ze vormden een perfect uitgangspunt om te onderzoeken wat er tijdens het leven met intelligentie gebeurt. Is die onveranderlijk, of worden we met de jaren slimmer of juist minder intelligent?

En misschien konden de oude gegevens zelfs worden gebruikt om erachter te komen waarom sommige mensen intelligenter zijn dan andere.

Abstract denken is belangrijker dan ambitie

Wat voor soort eigenschappen zijn van belang voor onze ingelligentie? Die vraag werd in een onderzoek gesteld aan ruim 600 deskundigen.

Bijna iedereen vond dat het talent om abstract te denken bepalend was. Ambitie en motivatie scoorden veel lager.

  • Abstract denken:

    99%

  • Problemen oplossen:

    98%

  • Kennis verwerven:

    96%

  • Geheugen:

    81%

  • Mentale snelheid:

    72%

  • Algemene kennis:

    62%

  • Creativiteit:

    60%

  • Ambitie/motivatie:

    19%

Maar net zoals alle andere intelligentieonderzoekers had Ian Deary grote moeite met het afbakenen van het begrip.

En het is nog veel moeilijker om een exacte definitie van intelligentie te formuleren waar zo’n beetje iedereen het over eens is. Als je 25 wetenschappers vraagt om intelligentie te definiëren, krijg je 25 verschillende antwoorden, wordt wel beweerd.

En net zo veel onenigheid heerst er bij het interpreteren van de resultaten van het intelligentieonderzoek. De geschiedenis wijst uit dat sommige aspecten daarvan zeer omstreden of zelfs regelrecht politiek explosief kunnen zijn.

Intelligentie is ondefinieerbaar begrip

De Amerikaanse psycholoog Linda Gottfredson probeerde in 1994 het onmogelijke te doen: unanimiteit creëren onder ’s werelds toonaangevende intelligentieonderzoekers.

Ze wist dat er grote behoefte was aan een eensluidende definitie vanuit wetenschappelijke hoek, en formuleerde daarom 25 korte stellingen. Van de 131 hoogleraren die ze om een reactie vroeg, waren 52 het ermee eens.

Op 13 december 1994 werden de lezers van de krant The Wall Street Journal getrakteerd op een hele pagina met deze stellingen. Het eerste punt was een poging om te definiëren wat er allemaal onder intelligentie valt.

‘Intelligentie is een algemeen mentaal vermogen om onder andere te redeneren, te plannen, problemen op te lossen, abstract te denken, complexe concepten te begrijpen, snel te leren en van ervaringen te leren. Het gaat niet zozeer om boekenwijsheid, wat een beperkte academische vaardigheid is, of om het goed maken van een test. Het gaat eerder om een breder, dieper inzicht in onze omgeving – “snappen”, iets “kunnen plaatsen” en “uitvogelen wat je moet doen”.’

Alleen al de omvang van deze definitie verraadt hoe moeilijk het is om het begrip intelligentie te verklaren, en aan de formuleringen van wat intelligentie niet is zie je dat ook Gottfredson op problemen stuitte.

Haar definitie is een poging om in het intelligentieonderzoek tot een bepaalde eenheid te komen, ‘g-factor’ genoemd, waarbij de kleine g staat voor het concept van ‘algemene intelligentie’.

De Britse psycholoog Charles Spearman kwam al in 1904 op het spoor van de g-factor, toen hij werkte met resultaten van schoolkinderen die op verschillende mentale vermogens waren getest. Hij ontdekte tot zijn verrassing dat er een specifiek verband was door alle tests heen.

Als een leerling hoog scoorde op één discipline, was de kans groot dat hij of zij ook hoog scoorde op de andere disciplines. En omgekeerd: als een leerling het slecht deed op een bepaald gebied, was het zeer waarschijnlijk dat hij of zij het ook op andere gebieden beneden gemiddeld deed.

Onzichtbare g-factor bepaalt onze vermogens

Onze intellectuele capaciteiten worden vaak verdeeld in vier groepen, elk met een keur aan talenten. Samen weerspiegelen de groepen onze algemene intelligentie, de ‘g-factor’. Een hoge g-factor is een teken van vaardigheid in alle groepen.

Wat hebben deze paren gemeen?

Taalvaardigheid: Omvat taalbegrip, woordenschat, algemene kennis en de kunst om informatie te combineren.

Welke van de volgende figuren past in de reeks?

Logisch denken: Omvat ruimtelijk inzicht en het vermogen verbanden te leggen in nieuw materiaal.

Herhaal eerst de getallen in numerieke volgorde en dan de letters in alfabetische volgorde.

Werkgeheugen: Omvat rekenen en het vermogen om reeksen getallen en letters te herhalen en te ordenen.

Bij elk getal hoort een symbool. Vul de symbolen in onder de tweede rij getallen.

Processnelheid: Omvat de kunst om snel symbolen te ontcijferen en ze volgens eenvoudige regels te ordenen.

Ons totale IQ heeft een klokvorm

Op basis van een intelligentietest valt iemands intelligentiequotiënt te berekenen. Het gemiddelde is op 100 gesteld. Wanneer een groot aantal mensen wordt getest, zal hun IQ de curve van een klok aannemen.

Mentale vermogens niet eerlijk verdeeld

De ontdekking van de g-factor laat zien dat intelligentie niet erg eerlijk verdeeld is.

De g-factor is in tegenspraak met de algemene overtuiging dat als er iets is waar je slecht in bent, er vast ook iets is waar je goed in bent. Natuurlijk hebben we allemaal onze sterke en zwakke punten, maar daaronder ligt een algemene intelligentie die onze intellectuele capaciteit op alle fronten positief of negatief beïnvloedt.

Het probleem met de g-factor is dat die niet direct meetbaar is, dat wil zeggen buiten onze specifieke vaardigheden op verschillende gebieden om. We kunnen er alleen een indirect beeld van krijgen door intelligentietests zodanig samen te stellen dat het totaalresultaat de factor zo goed mogelijk weergeeft.

De eerste intelligentietests werden in 1905 opgesteld door de Franse psychologen Alfred Binet en Théodore Simon. Vervolgens werden de tests doorontwikkeld, en in 1916 kon op grond van de resultaten het zogeheten intelligentiequotiënt of IQ worden berekend.

Moderne tests zijn bovendien geïnspireerd door het werk van een student van Spearman, de Amerikaanse psycholoog David Wechsler, die de opgaven van de intelligentietest halverwege de 20e eeuw nog verder verfijnde.

De IQ-tests van deze psychologen kunnen allerlei vormen hebben, maar meestal omvatten ze opgaven die taalvaardigheid, symboolbegrip, rekenkunde, spraakverwerking, logisch denken en ruimtelijk inzicht testen.

Snelheid maakt daarbij niet uit, dus de testpersoon kan alle tijd nemen. Bij andere opgaven speelt snelheid wel een rol. Dit zijn eenvoudige taken waarbij je bijvoorbeeld een aantal cijfers en symbolen uit een lijst bij elkaar moet zoeken.

Hierbij gaat het erom zo veel mogelijk opgaven binnen de gestelde tijd op te lossen.

Bij een IQ-test hoort een puntensysteem, en op basis van de resultaten van de test kan iemands IQ worden berekend.

Het puntensysteem is zodanig ontworpen dat de resultaten van een groot aantal testpersonen in een diagram kunnen worden gezet en daarbij een zogeheten normale verdeling hebben, dat wil zeggen een curve die de vorm heeft van een klok.

De meeste mensen, circa 95 procent, hebben een IQ tussen de 70 en 130. Bijna 70 procent ligt tussen de 85 en 115, en deze groep noemen we normaal begaafd.

Slechts 2 procent scoort lager dan 70 punten, en dienovereenkomstig scoort 2 procent van de bevolking hoger dan 130. Wie in de laatste groep valt, kan toelating aanvragen voor Mensa, een vereniging voor zeer intelligente mensen of hoogbegaafden.

Over het algemeen is er geen verschil in de intelligentie van mannen en vrouwen. Allebei de geslachten scoren gemiddeld 100 in intelligentietests, maar als we kijken naar de afzonderlijke onderdelen, is er wel verschil.

Vrouwen scoren gemiddeld hoger dan mannen op onderdelen die te maken hebben met taalvaardigheid en mannen scoren navenant hoger op ruimtelijk inzicht.

En er is nog klein verschil tussen de geslachten: in de randgebieden bevinden zich meer mannen. Er zijn dus meer mannen dan vrouwen met een zeer lage of juist zeer hoge intelligentie. De oorzaak hiervan is nog altijd niet gevonden.

  • 'Of je lang genoeg leeft om van je pensioen te kunnen genieten, hangt deels af van je IQ op je 11e.'

    Intelligentieonderzoeker Ian Deary over het verband tussen IQ en leeftijd.

Toen intelligentieonderzoekers ontdekten dat we allemaal een onderliggende g-factor hebben die cruciaal is voor onze score in een IQ-test, vroegen ze zich af of deze slechts een momentopname van onze mentale vermogens biedt of het hele leven hetzelfde blijft. En dat onderzocht Ian Deary door in de oude intelligentietests van de Schotse schoolkinderen te duiken.

Je IQ volgt je je hele leven lang

Het was een bijzondere reünie waar 101 oudere dames en heren aan deelnamen op 1 juni 1998 in het muziektheater in Aberdeen.

Ze waren allemaal geboren in 1921 en hadden meegedaan aan het nationale intelligentieonderzoek dat in 1932 was gehouden. En ze waren benaderd door Ian Deary en zijn medewerkers, die advertenties in kranten hadden geplaatst en contact hadden opgenomen met artsenpraktijken in het hele land.

Nu zaten ze hier in het theater opgaven op te lossen van precies dezelfde intelligentietest als ze 66 jaar eerder hadden gemaakt.

Het was voor Deary een buitenkans om te kijken wat er gebeurt met de intelligentie van een groep mensen over een zeer lange tijd. Hij vergeleek de prestaties van elke persoon als 11-jarige en als 77-jarige om inzicht te krijgen in de manier waarop ze zich ten opzichte van elkaar hadden ontwikkeld.

Zijn analyse vertoonde twee trends. De overgrote meerderheid maakte de test op latere leeftijd beter dan als kind. Dat had Deary ook wel verwacht, simpelweg omdat de test oorspronkelijk voor kinderen was ontworpen en daarom voor volwassenen gemakkelijker zou zijn.

Interessanter was het dat de mensen die als kind bovengemiddeld intelligent waren, dat later nog steeds waren, en de mensen die als kind minder presteerden, deden het nu niet beter.

Ian Deary merkte nog een derde algemeen punt op. De groep ouderen die nog leefde en gezond genoeg was om de test een tweede keer af te leggen, had deze als kind bovengemiddeld gemaakt. Later hebben ook andere onderzoeken die trend gesignaleerd, wat Deary tot de volgende uitspraak bracht:

‘Of je lang genoeg leeft om van je pensioen te kunnen genieten, hangt gedeeltelijk af van je IQ in je 11e levensjaar.’

Dat onze levensduur kan worden voorspeld aan de hand van ons intelligentiequotiënt op jonge leeftijd, kan verschillende oorzaken hebben. Ian Deary denkt dat de verklaring deels is dat intelligente kinderen later vaak een academische opleiding volgen en daardoor in een gezondere en veiligere omgeving zullen leven.

Op latere leeftijd denken we langzamer

Al lijkt ons IQ vanaf zeer jonge leeftijd ons ons leven lang te beïnvloeden, het is geenszins een constant gegeven.

Sommige van onze basale mentale vermogens kunnen worden verbeterd en andere kunnen worden aangetast. Ook hierbij is er een algemene trend te bespeuren. Wat taalopgaven betreft verbeteren we ons niveau over het algemeen tussen de 25 en 40 jaar.

Daarna blijven we op hetzelfde peil totdat we 80 zijn. Net omgekeerd is het bij logische opgaven, zoals het afleiden van een regel uit een aantal voorbeelden: hierbij nemen onze prestaties over het algemeen gestaag af tussen het 25e en 80e levensjaar.

De twee soorten vermogens zijn voorbeelden van wat in de psychologie ‘gekristalliseerde’ dan wel ‘vloeibare’ intelligentie genoemd is. Gebruiken we onze gekristalliseerde intelligentie, dan putten we uit onze kennis en ervaring, die stevig geworteld zijn in de hersenen. Maar onze vloeibare intelligentie is niet van kennis afhankelijk: we moeten hierbij logisch redeneren vanuit een nieuwe, onbekende situatie.

Je wordt slechter in het oplossen van nieuwe opgaven

Sommige wetenschappers onderscheiden vloeibare en gekristalliseerde intelligentie. De eerste is gebaseerd op het vermogen om nieuwe taken uit te voeren (zwart), de tweede stoelt op onze ervaring (stippellijn). De twee veranderen gedurende het hele leven, terwijl het algemene IQ constant (rood) blijft vanaf circa 20 jaar.

Ons algehele IQ kan ook in de loop van de tijd veranderen. Studies tonen aan dat er zeer grote individuele verschillen zijn. Bij sommigen wordt het IQ hoger, bij anderen lager. Een algemene trend is echter dat de g-factor verzwakt met de jaren. Het is nog een raadsel waarom dit zo is, maar onderzoekers vermoeden dat de verklaring uitsluitend fysiek is: onze hersencellen werken gewoon langzamer als we ouder worden.

Verschillende experimenten, onder meer een van Ian Deary uit 2017, laten zien dat er een verband bestaat tussen reactiesnelheid en intelligentie: mensen met een hoog IQ zijn gemiddeld ook sneller. En het verband lijkt sterker te worden naarmate de testpersonen ouder zijn.

Misschien verklaart dit waarom de g-factor op latere leeftijd over het algemeen afneemt.

Nog interessanter: misschien is hier een deeltje van de verklaring te vinden waarom sommigen van nature een hoger IQ hebben dan anderen. Hoe snel onze hersencellen communiceren, hangt onder andere af van van de zogeheten witte stof in de hersenen. Witte stof bestaat uit zenuwbundels die delen van de hersenschors met elkaar verbinden.

Deze zenuwen zijn geïsoleerd met zogeheten myelineschedes – en hoe sterker die zijn, hoe sneller de signalen door de zenuwen schieten. Naarmate we ouder worden, lopen de myelineschedes beschadigingen op, wat kan verklaren waarom onze zenuwcellen trager gaan communiceren. Evenzo kunnen extra sterke myelineschedes sommigen van ons een intelligentievoordeel opleveren.

De onderzoekers benadrukken dat onze intelligentie erg complex is en dat de snelheid van de zenuwcellen waarschijnlijk slechts een deel van het verschil in IQ verklaart, maar de theorie geeft in elk geval een concreet verband tussen intelligentie en het fysieke brein.

Andere pogingen om fysieke verklaringen van de verschillen in intelligentie te vinden, hebben niet veel vrucht afgeworpen. De omvang van de hersenen lijkt bijvoorbeeld nauwelijks van belang te zijn.

Sinds het in de jaren 1990 mogelijk is geworden om het volume van het brein van levende mensen te bepalen met MRI-scans is er gezocht naar een verband tussen hersenomvang en IQ.

Met een groter stel hersenen heb je iets meer kans op een hoger IQ, maar het verband is niet erg uitgesproken. Hetzelfde geldt voor het gewicht van de hersenen en het aantal hersencellen dat iemand heeft.

Intelligentie verstopt zich voor hersenwetenschap

Al een eeuw lang meten, wegen en scannen wetenschappers de hersenen om de intelligentie fysiek in kaart te kunnen brengen – maar tot nu toe zonder succes.

Vorm, grootte en gewicht van de hersenen hebben kennelijk weinig effect op ons IQ.

  • Aantal cellen maakt niet uit

    Onze intellectuele vermogens zijn verspreid over de hele hersenschors, en het aantal hersencellen lijkt daarvoor niet uit te maken. Vrouwen zijn even intelligent als mannen, hoewel ze over het geheel genomen 4 miljard hersencellen minder hebben.

  • Omvang is nauwelijks van betekenis

    Hersenonderzoekers hebben een verband tussen IQ en hersenomvang gevonden, maar het is vrij gering en het heeft kennelijk geen invloed op de intelligentie van mannen versus vrouwen.

  • Gewicht heeft geen effect

    Mannen hebben gemiddeld 130 gram meer brein dan vrouwen, maar dit levert voor het IQ geen voordeel op. Ook binnen de geslachten lijkt het gewicht niets te betekenen. De hersenen van Einstein wogen bijvoorbeeld slechts 1230 gram, minder dan het gemiddelde voor vrouwen.

Waar de hersenwetenschappers tevergeefs gezocht hebben naar intelligentie in de hersenen, gaan de psychologen op andere wijze na waarom sommige mensen intelligenter zijn dan andere. Centraal staat het onderzoek naar wat de genen en de omgeving voor ons IQ betekenen.

Genen worden steeds belangrijker

Toen Gerald Levey kennismaakte met Mark was het alsof hij in de spiegel keek. De kalende schedel, de bakkebaarden, de snor – ja zelfs de bril zag er hetzelfde uit.

De twee hadden elkaar nog nooit gezien, maar toch hadden ze ongelofelijk veel gemeen. Ze waren allebei hovenier en vrijwilliger bij de brandweer. Ze dronken hetzelfde biermerk, droegen hun sleutels op dezelfde manier en hielden van dezelfde westernfilms.

Omdat Gerald en Mark een eeneiige tweeling zijn en vlak na hun geboorte afzonderlijk geadopteerd werden, zijn ze opgeroepen door psychologen van het Minnesota Center for Twin and Family Research in de VS.

Sinds 1979 hebben de onderzoekers van dit centrum bij meer dan honderd tweelingen zoals Gerald en Mark het verband tussen intelligentie enerzijds en erfenis en omgeving anderzijds onderzocht. Door hun identieke genen zijn eeneiige tweelingen perfecte onderzoeksobjecten, met name als ze gescheiden van elkaar zijn opgegroeid.

Inmiddels hebben de wetenschappers zo veel tweelingen een IQ-test laten maken dat duidelijk wordt op welke gebieden genen en omgeving van invloed zijn. De resultaten zijn verbluffend. Tweelingen die hun hele leven gescheiden hebben geleefd, scoren bijna hetzelfde in IQ-tests. Het verschil is haast net zo klein als tussen tweelingen die samen zijn opgegroeid. Daaruit blijkt wel hoe belangrijk de genen voor intelligentie zijn.

Andere onderzoeken bij het Texas Adoption Project in de VS hebben de invloed van de genen op een andere manier onderzocht. Wetenschappers onder leiding van professor John Loehlin voerden niet alleen IQ-tests uit bij kinderen die vanaf de geboorte zijn geadopteerd, maar ook bij hun biologische moeder en adoptiemoeder.

De tests werden tweemaal uitgevoerd: toen de kinderen respectievelijk 8 en 18 jaar oud waren. Ook hierbij zijn de resultaten zeer verrassend. Over het algemeen laten ze zien dat het IQ van de 8-jarigen in zekere mate het IQ van de biologische moeder volgt, maar ook dat van de adoptiemoeder.

Het IQ van de kinderen wordt op deze leeftijd bepaald door zowel de genen als de omgeving waarin ze opgroeien, maar later verandert dat beeld. Op 18-jarige leeftijd ligt het IQ van de kinderen veel dichter bij dat van hun biologische moeder en navenant verder van dat van de adoptiemoeder.

Daaruit concludeert John Loehlin: ‘De gezinssituatie heeft een significant effect op de intelligentie van kinderen als ze klein zijn, maar dat wordt minder in hun tienertijd.’

Onze intelligentie wordt dus bepaald door een mix van genen en omgeving, maar de verhouding verandert gedurende het leven. Als we als kinderen hoog scoren in een IQ-test, mogen we onze ouders bedanken voor een goede opvoeding. Als we hoog scoren als volwassenen, mogen we ze bedanken voor hun genen.

  • 'Het gezin heeft effect op de intelligentie van kinderen, maar dat wordt minder in hun tienertijd.'

    Intelligentieonderzoeker John Loehlin over het beperkte belang van de omgeving voor de intelligentie.

Dit betekent dat er geen vaste maatstaf bestaat om te bepalen hoezeer intelligentieverschillen te wijten zijn aan genen of omgeving. Volgens sommige wetenschappers zijn de genen verantwoordelijk voor 30 procent van de verschillen, maar er zijn er ook die 80 procent noemen.

Onderzoek roept emoties op

In de VS explodeerde de belangstelling voor het onderzoek naar intelligentie halverwege de jaren 1990, toen de psycholoog Richard Herrnstein en de socioloog Charles Murray een omstreden boek publiceerden.

De titel van dit boek, The Bell Curve, verwijst naar de klokvormige curve die de normale verdeling van intelligentie onder de bevolking weergeeft. Op bijna 900 pagina’s verdiepen de auteurs zich in statistieken over het verband tussen IQ en sociale omstandigheden. Overzichten in het boek duiden erop dat een lage intelligentie veel voorkomt in bevolkingsgroepen die worden gekenmerkt door armoede, hoge werkloosheid, vroegtijdige echtscheiding, laag onderwijs en hoge misdaadcijfers.

Maar dat is nog niet alles: de auteurs dragen beleidsmatige oplossingen aan. Ze vinden bijvoorbeeld dat de overheid initiatieven moet nemen om het kinderaantal in bevolkingsgroepen met een lage intelligentie te beperken.

Nog explosiever was de tekst over de gemiddelde intelligentie van etnische groepen: zwarten, blanken en mensen met een Latijns-Amerikaanse achtergrond. Ook hier laten de statistieken verschil zien. Zwarten scoorden gemiddeld het laagst in IQ-tests en blanken het hoogst. Volgens Herrnstein en Murray heeft het verschil te maken met zowel genen als omgeving.

Veel lezers van The Bell Curve beschouwden het boek als een poging om een ideologie nieuw leven in te blazen die eugenetica of rassenhygiëne wordt genoemd. Daarom was het debat erover niet alleen academisch, maar ook zeer emotioneel. Er was kritiek op het vermeende racisme, de statistische methoden en de interpretaties van de onderzoeksresultaten.

Wat betreft het IQ van de etnische groeperingen zien de meeste wetenschappers wel een statistisch verschil, maar dat valt volgens hen te verklaren door sociale en omgevingsfactoren; het zou dus niets met de genen te maken hoeven te hebben. Daarbij wijzen ze erop dat het verschil in IQ binnen elke groep aanzienlijk groter is dan het verschil tussen de groepen als geheel.

Dat er statistische verschillen bestaan tussen diverse bevolkingsgroepen, blijkt ook in een heel andere context – het IQ van generaties loopt bijvoorbeeld ook uiteen.

Newton had een hoger IQ dan Galilei

Hoe goed zouden historische genieën nu op een IQ-test scoren? Natuurlijk kunnen we dat nooit zeker te weten komen, maar psychologen hebben een schatting gemaakt op basis van overleveringen, nagelaten geschriften en informatie over de mate van scholing.

  • Johann Wolfgang von Goethe, Duitse schrijver:

    IQ 188

  • Blaise Pascal, Franse natuurkundige:

    IQ 173

  • Isaac Newton, Britse natuurkundige:

    IQ 168

  • Galileo Galilei, Italiaanse natuurkundige:

    IQ 163

  • Leonardo da Vinci, Italiaanse alleskunner:

    IQ 158

  • Johannes Kepler, Duitse astronoom:

    IQ 153

  • Maarten Luther, Duitse reformator:

    IQ 148

  • Johann Sebastian Bach, Duitse componist:

    IQ 143

  • Nicolaas Copernicus, Poolse astronoom:

    IQ 138

  • Rembrandt van Rijn, Nederlandse schilder:

    IQ 133

  • Napoleon Bonaparte, Franse keizer:

    IQ 123

  • Ulysses S. Grant, Amerikaanse generaal:

    IQ 108

Hele wereld wordt steeds slimmer

Intelligentieonderzoekers wereldwijd bijten al 35 jaar hun tanden stuk op het verschijnsel IQ-test, en pas nu lijkt het tij te keren. De problemen ontstonden in 1984 toen James Flynn, die destijds hoogleraar politieke studies aan de universiteit van Otago in Nieuw-Zeeland was, een merkwaardig verschijnsel beschreef.

Flynn had gemerkt dat bedrijven die intelligentietests opstellen, ze regelmatig moesten herzien. Ze maakten de opgaven iets moeilijker of stelden het puntensysteem dat aan de opgaven verbonden is, iets bij. De bedrijven deden dit omdat de resultaten van een grote groep mensen altijd een normale verdeling met een gemiddelde van 100 moeten geven.

James Flynn ontdekte dat er een trend is in de aanpassing van de IQ-tests – deze worden steeds moeilijker, dus na verloop van tijd zijn er steeds betere mentale vermogens nodig om dezelfde IQ-score te behalen.

Daarom ben jij intelligenter dan je grootouders

Sinds 1900 worden intelligentietests elk jaar moeilijker. Om precies te zijn is het IQ dat nodig is om een bepaalde score te halen, per jaar met 0,3 IQ-punten gestegen. Bekijk hier de uitleg van de Nieuw-Zeelandse intelligentieonderzoeker James Flynn.

Het was al bekend dat de tests af en toe werden herzien, maar Flynn bracht als eerste consequenties daarvan in kaart. Zo ontdekte hij dat het effect veel groter was dan tot dan toe werd gedacht.

De hele 20e eeuw lang zijn de IQ-tests aangepast, waardoor het gemiddeld 0,3 IQ-punten moeilijker werd om dezelfde score te behalen – per verstreken jaar. Dat lijkt misschien niet veel, maar het is van groot belang wanneer de onderzoekers de intelligentie vergelijken tussen verschillende generaties van de bevolking.

Flynn heeft de resultaten van de IQ-tests onderzocht die veel landen gebruiken voor jongens die het leger in gaan. Hierbij is duidelijk te zien wat het gevolg van de herzieningen is als ze uit de resultaten gefilterd worden. De soldaten die in 1942 in Groot-Brittannië zijn getest, zouden bijvoorbeeld een gemiddeld IQ van 73 hebben als ze de test 50 jaar later, in 1992, zouden maken.

Snelle verbindingen geven hoge intelligentie

Experimenten tonen aan dat je reactiesnelheid samenhangt met intelligentie: mensen met een snelle reactie hebben gemiddeld een hoger IQ. Misschien is de reden simpelweg dat hun hersencellen snellere verbindingen leggen.

De verbindingen van de hersencellen zijn geïsoleerd met myeline. Hoe dikker de laag is, des te sneller de signalen tussen de verbindingen lopen.

Het zogeheten Flynn-effect laat zien dat de bevolking in de loop van de 20e eeuw over het algemeen steeds slimmer is geworden, en die trend geldt in de meer dan 35 landen die hij heeft bestudeerd. Wetenschappers hebben geen duidelijke verklaring gevonden voor het effect.

Flynn zelf denkt dat we de verklaring moeten zoeken in de externe omgeving, dat wil zeggen de tijd en de maatschappij waarin we opgroeien. De afgelopen eeuw heeft het opleidingsniveau een geweldige ontwikkeling doorgemaakt, waarbij steeds meer mensen leren denken op de manier die wordt beloond in IQ-tests.

‘We leren mensen om het hypothetische serieus te nemen, in abstracties te denken en logische conclusies te trekken,’ zei James Flynn daar zelf over.

Het Flynn-effect lijkt echter af te nemen. De laatste IQ-tests van het leger in sommige landen laten zien dat het effect hier sinds de millenniumwisseling in feite te verwaarlozen is. Onze nieuwste soldaten zijn dus niet intelligenter dan de rekruten van eind jaren 1990.

Het Flynn-effect en vooral de ontbrekende verklaring daarvoor laten zien dat de wijze waarop we intelligentie meten, zwakke punten kent. In ieder geval kan volgens Flynns ontdekking worden gesteld dat een IQ-score geen nauwkeurig beeld geeft van iemands intelligentie als het niet duidelijk is wanneer de test werd afgelegd.

Verder luidt de kritiek dat IQ-tests en het hele idee van de g-factor een al te beperkt beeld geven van onze mentale capaciteit en dat we intelligentie op een heel andere en veel bredere manier moeten definiëren.

Intelligentie wordt meervoudig

We hebben niet één soort intelligentie, maar vele soorten, die los van elkaar staan. Dat is de essentie van een theorie over intelligentie die in 1983 werd gepubliceerd door de Amerikaanse psycholoog Howard Gardner.

Hij nam dus afstand van het idee van een centrale g-factor die aan al onze intellectuele vermogens ten grondslag zou liggen. Gardner benoemde zeven soorten intelligentie, waar hij er later nog twee aan toevoegde.

Naast de disciplines die deel uitmaken van traditionele IQ-tests omvat Gardners theorie eigenschappen als muzikaliteit, fysiek vermogen en sociale intelligentie. Het doel van zijn controversiële theorie was duidelijk:

G-factor wijkt voor meervoudige intelligentie

Volgens sommige onderzoekers is het tijd om het klassieke idee te verlaten dat intelligentie terug valt te brengen tot één g-factor. Ze stellen dat we vele soorten intelligenties zouden hebben, die volledig onafhankelijk van elkaar werken. De bedenker ervan, Howard Gardner, werkt met negen intelligenties.

  • Verbale/talige intelligentie

  • Muzikale intelligentie

  • Logische/wiskundige intelligentie

  • Visuele/ruimtelijke intelligentie

  • Lichamelijke intelligentie

  • Sociale intelligentie

  • Interpersoonlijke intelligentie

  • Natuurgerichte intelligentie

  • Existentiële intelligentie

‘IQ-tests zullen nog wel worden gebruikt voor bepaalde doeleinden, maar het monopolie van degenen die in één algemene intelligentie geloven, is doorbroken. Hersenwetenschappers en genetici zien deze scheiding tussen de menselijke competenties, computerprogrammeurs creëren systemen die op een aantal manieren intelligent zijn en docenten beginnen te erkennen dat hun studenten verschillende sterke en zwakke punten hebben,’ schreef hij in 1999.

Gardners intelligentietheorie heeft veel aandacht gekregen en is vooral goed ontvangen in het onderwijs. De theorie gaat ervan uit dat kinderen op verschillende manieren leren en daarom individuele benaderingen, ook wel leerstijlen genoemd, nodig hebben, zodat ze allemaal zo veel mogelijk uit het onderwijs halen.

Door intelligentieonderzoekers is de theorie lauw onthaald. Ze zou te breed zijn en werken met niet te meten grootheden. Verder wordt het begrip intelligentie uitgehold door alle vaardigheden, talenten en interesses in de theorie.

De meeste intelligentiewetenschappers blijven daarom bij de klassieke vorm van intelligentie, die wordt bepaald door de onderliggende g-factor.

Wel benadrukken ze dat intelligentie slechts één mentale kwaliteit van de mens is en dat er nog vele andere zijn die mede bepalen hoe we in het leven staan. Een getal voor onze intelligentie zegt bijvoorbeeld niets over eigenschappen als humor, empathie, vrijgevigheid, creativiteit en alle andere vaardigheden die cruciaal zijn voor bijvoorbeeld onze omgang met andere mensen.

Misschien zijn het juist deze eigenschappen die, in combinatie met onze intelligentie, het menselijk brein een voorsprong geven op de kunstmatige intelligentie die in de computerwereld is ontwikkeld.

  • 'Het monopolie van degenen die in één algemene intelligentie geloven, is doorbroken.'

    Intelligentieonderzoeker Howard Gardner over het idee achter zijn theorie over meervoudige intelligentie.

Computers kunnen al klassieke IQ-tests doen, en dat gaat ze steeds beter af. In 2015 lieten wetenschappers van de universiteit van Illinois in de VS een geavanceerd computerprogramma een reeks tests maken, waarbij ze ontdekten dat het programma een IQ had op het niveau van een kind van vier. Maar toen het een test voor een zevenjarige deed, bakte het programma er niets van.

Vooral taalbegrip en redeneren zijn lastig voor de kunstmatige intelligentie. Het programma werd onder meer gevraagd om een woord te vinden dat past bij de volgende drie gegevens:

‘Dit dier heeft manen als het een mannetje is’, ‘het dier leeft in Afrika’ en ‘het is een grote, geelbruine kat’. De computer kwam daarop met wel vijf mogelijke oplossingen: hond, boerderij, wezen, huis en kat – maar niet met het woord ‘leeuw’.

Kunstmatige intelligentie is echter hard op weg om zich ook op dit gebied te laten gelden. Kunstmatige neurale netwerken, die gebruikmaken van de leervorm deep learning, zijn dan ook juist ontworpen om kennis op basis van ervaring te verwerven, net zoals het menselijk brein dat doet.

Of het genoeg is om onze grijze cellen te kunnen overtreffen, is lang niet zeker. Wellicht zal het menselijke intellect altijd iets unieks hebben.

Een van de grootste wetenschappelijke genieën die ooit hebben bestaan, Albert Einstein, zei dan ook: ‘Het ware teken van intelligentie is niet kennis, maar verbeelding.’

Lees ook:

Intelligentie

Luiheid kan teken van intelligentie zijn

2 minuten
Schermtijd: Meisje kijkt naar tablet
Hersenen

Onderzoekers: Meerdere uren schermtijd per dag kan kinderhersenen belemmeren

4 minuten
Intelligentie

Dit zijn de slimste honden – en de domste

6 minuten

Log in

Fout: Ongeldig e-mailadres
Wachtwoord vereist
ToonVerberg

Al abonnee? Heb je al een abonnement op ons tijdschrift? Klik hier

Nieuwe gebruiker? Krijg nu toegang!