Miljoenen pijnlijke sterfgevallen waren te wijten aan een mysterieus virus. De wereldwijde epidemie begon in een militair kamp in Kansas in de VS en alle middelen werden ingezet om haar in te dammen. 

© Polfoto/Scanpix/Corbis

Spaanse griep eiste 50 miljoen levens

In een kazerne in de VS beginnen soldaten ineens uit mond en oren te bloeden. De artsen vrezen dat de pest van de donkere middeleeuwen is teruggekeerd. De mysterieuze ziekte verspreidt zich bliksemsnel over het land en een paar weken later zijn al drie continenten de klos. Het jaar daarna zijn er 50 miljoen mensen gestorven aan de ergste schrik van de eeuw: de Spaanse Griep.

13 september 2018 door Else Christensen

Hij was totaal niet voorbereid op wat hij in de ziekenboeg van Camp Devens, Kansas (VS), in september 1918 te zien kreeg.

William Henry Welch stond erom bekend dat hij het hoofd koel hield. Met zijn zeer praktische en systema­tische aanpak was hij een belangrijke vertegenwoordiger van de artsen van de nieuwe tijd: mannen in het wit die met reageerbuis, stethoscoop en tabellen de strijd met ziekte en lijden aanbonden. 

Welch, een ware patriot, had zijn functie bij een vooraanstaande medische faculteit voor een legerbaan ingeruild toen de VS betrokken raakten bij de Eerste Wereldoorlog.

De mannen lagen op veldbedden of op de grond in grote, open ruimten. Ze kreunden, ijlden of woelden tussen bebloede lakens, velen met een blauwe kleur in het gezicht. 

De gebouwen waren berekend op 2000 patiënten, er lagen er 8000. Op de dag van Welch’ bezoek waren 63 patiënten gestorven. Om in de autopsiezaal te komen moest hij over de lijken stappen waarvoor in het mortuarium geen plaats was.

Arts kon pest niet uitsluiten

Tijdens het onderzoek zag Welch dat de longen van de doden beschadigd waren en vol bloed zaten. Zijn collega’s keken hem aan. Ze wisten dat hij in het oosten was geweest en exotische ziekten had bestudeerd, en hoopten dat hij het kon verklaren. 

Maar Welch dacht diep na. ‘Het is vast een nieuw soort infectie,’ zei hij en gebruikte toen een woord dat al uit het medisch taal­gebruik was verdwenen: ‘of de pest’. 

Wat het ook was, de ziekte leek inderdaad sterk op de pest. Patiënten kregen koorts en hadden overal zeer. Het voelt alsof je botten knappen, zeiden sommigen. De geringste aanraking deed pijn. De patiënten bloedden uit hun mond, neus en oren.

Sommigen hoestten bloed op bij aanvallen die zo hevig waren dat ze kramp kregen en het kraakbeen bij hun ribben beschadigd raakte. Vaak trad de dood binnen 48 uur in. 

Op het laatst waren de longen zo kapot dat de patiënt blauwe vingers en een blauw gezicht kreeg door zuurstofgebrek.

Ziekenhuizen namen iedereen aan die bereid was een handje te helpen. De lange patiëntenlijsten met rode kruizen spraken boekdelen.

© National Archives

Legerleiding slaat nog geen alarm

De legerartsen hadden al geconstateerd dat onlangs een ziekte Camp Funston had getroffen, in de buurt van Camp Devens waar Welch de pestachtige symptomen waarnam. 

De artsen wisten dat de ziekte via troepentransporten Europa had bereikt. De legerleiding werd op de hoogte gebracht, maar zag geen reden maatregelen te treffen om uitbreiding van besmetting te voorkomen. Ze had wel wat anders aan haar hoofd.

Voorjaar 1918 woedde de wereldoorlog nog steeds. De zwaar getroffen Engelsen en Fransen wachtten op hulp van Amerikaanse troepen. Duitse granaten regenden neer op Parijs en de Franse president Clemenceau deed een oproep aan zijn Amerikaanse collega Woodrow Wilson om ‘zijn Amerikanen te vragen snel hierheen te komen’. 

De Amerikanen hadden het druk met het uitzenden van meer troepen. Tegelijkertijd moest de vaart erin blijven bij de geheime wapenproductie. 

Maar weinigen hadden tijd of zin om zich om de soldaten te bekommeren. Bovendien zou te veel aandacht voor een mogelijke epidemie de vijand maar in de kaart spelen en de moraal aan het thuisfront schaden.

Ziekte en oorlog horen nu eenmaal bij elkaar. In de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) stierven twee keer zoveel soldaten aan ziekte als in de strijd. 

Van elke zeven Amerikaanse soldaten die in de Spaans-Amerikaanse Oorlog (1898) stierven, gingen er zes dood aan een ziekte, en in de Boerenoorlog (1899-1902) bezweken tien van de elf Britse soldaten aan een ziekte.

De Eerste Wereldoorlog was geen uitzondering. De loopgraven en vele niet-begraven doden zorgden ervoor dat besmettelijke ziekten toesloegen.

Ook aan het thuisfront loerde gevaar. Het Amerikaanse leger werd massaal gemobiliseerd toen de VS in april 1917 de oorlog in gingen. Soldaten zaten opeengepakt in enorme kampen, waar vaak wel 50.000 man waren gehuisvest. 

Ze kwamen uit alle delen van het land, uit grote steden en van afgelegen boerderijen. In de kampen stonden ze bloot aan virussen en bacteriën waar ze niet eerder mee te maken hadden gehad en waarvoor ze niet immuun waren. 

Ook in de stad waren alle voorwaarden aanwezig voor besmettelijke ziekten. Duizenden stroomden erheen om in de oorlogsindustrie te werken en woonden er op elkaars lip bij gebrek aan woonruimte. 

In fabrieken werd dag en nacht gewerkt en veel arbeiders deelden kamers en bedden omdat ze op verschillende tijdstippen werkten en sliepen.

De ziekte verspreidt zich wereldwijd

Ondanks de zeer onrustbarende feiten waren de artsen en militairen kennelijk toch verrast toen de ziekte in het najaar van 1918 plotseling op wel drie continenten toesloeg.

De eerste uitbraak werd geregistreerd in het Franse Brest, een havenstad waar bijna de helft van alle troepentransporten vanuit de VS naar Europa arriveerde. Half augustus werden veel Amerikanen ziek die net aan wal waren. Ze stierven in een Frans ziekenhuis. 

Kort daarop werden er enkele havenarbeiders in Freetown in Sierra Leone (West-Afrika) ziek. Hier namen schepen die van Europa naar Zuid-Afrika en het oosten voeren, kolen aan boord.

De ziekte had zich plotsklaps ontwikkeld van een lokaal verschijnsel in de kazernes van Kan­­­­sas tot een wereldwijde epidemie – een zogeheten pandemie.

De besmetting verspreidde zich via mensen, via scheepvaartroutes, land- en spoorwegen. Op het Amerikaanse continent trok de ziekte van oost naar west en trof vooral grote steden zwaar.

Philadelphia had in 1918 1,7 miljoen inwoners. De arbeiders die in de wapen- en oorlogsindustrie werkten, woonden rond de stad in sloppenwijken. 

Er vielen zeker 300 doden per dag, en de Spaanse griep, zoals men de ziekte noemde, was in 1918-1919 de meest voorkomende doodsoorzaak van de miljoenenstad. Na een paar weken zag de overheid in dat er zich een ramp voltrok.

In Japan moest iedereen die naar buiten ging een masker dragen. De sterfte was lager dan elders in Azië, maar er stierven toch 260.000 mensen.

© Scanpix/Corbis

VS van kust tot kust getroffen

In een poging verspreiding tegen te gaan, voerde de overheid een samenscholingsverbod in. Scholen, theaters en kerken werden gesloten. Zelfs rouwbijeenkomsten waren verboden. Men mocht alleen naar buiten met een masker voor neus en mond. 

De eerst zo drukke straten waren verlaten. Een arts uit Philadelphia die bijna 20 km van het ziekenhuis woonde, reed op een avond na zijn dienst naar huis zonder ook maar één auto tegen te komen in de anders zo bruisende stad.

Overal in de VS zag je in de stille straten spookachtige gedaantes: agenten in lange, donkere jassen en met witte maskers. 

Ze zorgden dat de regels werden nageleefd: niet in het openbaar vervoer zonder masker, geen samen­scholingen en niet spugen op straat. ‘Spugen betekent de dood’, waarschuwden grote posters. In sommige streken was het verboden elkaar een hand te geven.

Soms stopte er een agent om een groot bord op een deur te bevestigen: ‘Ziekte’. Het was een waarschuwing voor de buren. 

Achter de deuren stierven tal van mensen, omringd door familieleden die zelf ook ziek waren of het werden. Verpleegsters troffen hele gezinnen ziek of stervend aan. Het was niet ongewoon dat een gezin twee leden verloor in deze vreselijke periode in september en oktober.

Overal hingen aan deuren stukken crêpestof die sterfgevallen aan­gaven. Witte crêpe als het gezin een kind had verloren, zwart voor iemand die van middelbare leeftijd was en grijs voor een dode op hoge leeftijd. Zo lieten gezinnen de omvang van de tragedie weten aan iedereen die langskwam.

Bijna niemand had de kracht zich te bekommeren om de lijken die zich ophoopten. De lijkenhuizen waren al spoedig overvol, dus de talloze doden werden buiten onder ijs gelegd of bleven thuis liggen, goed afgezonderd van de overige bewoners.

Begrafenisondernemers hadden lang niet genoeg kisten en de grafdelvers waren ziek of wilden niet in de buurt komen van iemand die was overleden aan ‘de Spaanse griep’. 

In Philadelphia nam het stadsbestuur een noodmaatregel: een machine groef een massagraf op begraafplaats Holy Cross. 

De oostelijke en zuidelijke staten werden het zwaarst getroffen, en van Seattle tot New Orleans en New York was het beeld eender: volle lijkenhuizen en crêpe aan de deuren.

Ongeschoolden in ziekenhuizen

De gezondheidszorg in de VS liep al op zijn laatste benen toen ‘de Spaanse griep’ toesloeg. De oorlogsdeelname van het land legde beslag op vrijwel alle ervaren artsen en verpleegsters.

Eind 1918 riep de overheid alle gepensioneerde artsen en verpleegsters die niet deelnamen aan de oorlogs­inzet op hun vak weer op te pakken. 

Toen de chaos compleet was, werd het gebrek aan verpleegsters zo groot dat ziekenhuizen iedereen aannamen die maar een EHBO-cursus had gehad. 

Wie beschikte over ‘twee handen en de wil om te werken’, werd gevraagd te helpen bij het bereiden van maaltijden, wassen van kleren en andere praktische taken. Het Rode Kruis had het druk met de oorlog, maar vrijwilligers hielpen met de zieken aan het thuisfront.

In de kranten werden sterfgevallen goed weggemoffeld tussen de andere overlijdensberichten.

En journalisten probeerden tegelijk in geruststellende bewoordingen over ‘de Spaanse griep’ te schrijven om de bevolking niet bang te maken en het moreel hoog te houden.

Een reis even gevaarlijk als de vijand

De troepentransporten gingen onverminderd door. Schip na schip voer boordevol soldaten naar Frankrijk. De jongemannen waren op weg naar de oorlog, maar hun strijd om te overleven begon al in de slecht geventileerde bemanningsruimte onder het dek.

Op 29 september 1918 vertrok de USS Leviathan naar Europa. Het schip was gebouwd voor 6800 man, maar had er 11.000 aan boord. 

Op weg om aan te monsteren legden soldaten al het loodje, die met ambulances werden afgevoerd. Voor de afvaart waren al 100 mannen weggehaald en voor de zon onderging op de eerste vaardag waren er 700 ziek. 

Overste E.W. Gibson vertelde later: ‘Wie dit niet heeft gezien, kan het zich niet voorstellen. Overal lagen plassen met bloed door hevige neusbloedingen van de patiënten. Het dek was nat en glad... het gekreun en geschreeuw van mensen in doodsangst vermengden zich met hulpgeroep. Het was wat je noemt de hel op aarde.’

Bij de zeelieden die waren gestorven werd het lichaamsvocht meestal vervangen door een conserveermiddel. De lijken konden zo aan wal worden gebracht voor de rot intrad. 

Het scheepsjournaal meldde dat ‘de kleine groep balsemdeskundigen het aantal sterfgevallen niet bijhoudt; onmogelijk om lijken snel genoeg te balsemen, tekenen van beginnende rotting bij sommige lijken’. 

Toen het schip Brest naderde waren er 2000 zieken en 70 doden. 14 waren te ziek om aan wal te gaan en stierven aan boord. Wie het aankon werd per brancard naar een Amerikaans veldhospitaal gebracht, waar honderden bezweken.

Soldaten die in september 1918 naar Frankrijk voeren, hadden een net zo grote kans onderweg te sterven als om in het gevecht gedood te worden. Maar er veranderde helemaal niets.

De militaire stafchef van president Wilson, Peyton March, wees alle voorstellen af om de transporten te beperken en voor het vertrek quarantaine in te stellen. 

Het troepentransport mocht niet worden beperkt, laat staan gestopt. Elke soldaat die tijdens de tocht stierf ‘was net zo waardevol als zijn in Frankrijk gesneuvelde kameraad’. De ziekte breidde zich uit naar de toch al door de oorlog getroffen bevolking van Europa.

Fransen gingen de straat op om iedereen op te roepen maskers te dragen. De vergeefse dokters­behandelingen waren onderwerp van grappen van cartoonisten.­

© Bridgeman

Duitsers zijn te moe om te haten

Konrad Adenauer, burgemeester van Keulen en later bondskanselier van West-Duitsland, gaf de stemming in zijn land kernachtig weer toen hij een maand voor afloop van de oorlog zei dat de ziekte ‘mensen te moe maakte om te haten’. 

In Frankfurt stierf meer dan een kwart van iedereen met de symptomen. In Engeland kwam de Spaanse griep ‘als een dief in de nacht’, schreef George Newman, een bekende legerarts, in een rapport over de epidemie. 

De ziekte was ‘een van de grootste gesels van de geschiedenis, een pest ... die alleen al in Engeland en Wales meer dan 150.000 levens heeft gekost’.

Overal in Europa werden scholen gesloten en samenscholingen verboden, cafés en winkels werden geconfisqueerd als noodhospitaal. De ziekte sloeg breed toe en trof de hele maatschappij.

Toch bedroeg het aantal sterfgevallen nog geen één procent van de bevolking van West-Europa. Elders was het veel erger. Mensen in afgelegen streken waren aan slechts enkele of zelfs helemaal geen virusaanvallen blootgesteld, en dus niet immuun. 

Voor hen werd de ziekte rampzalig. Onder de oorspronkelijke bevolking van de VS, Eskimo’s en veel Afrikaanse stammen werden kleine gemeenschappen weggevaagd. 

Een Britse bezoeker in Gambia wist te vertellen dat hele dorpen waar vroeger 300-400 gezinnen woonden, weg waren. De huizen waren ingestort en de jungle rukte al op.

Onder de enorme bevolking van India verspreidde de griep zich snel. Van oudsher werden doden verbrand en werd de as over de rivier uitgestrooid. Maar toen het brandhout opraakte werden de lijken direct in de rivier gegooid. In Afrika en het Verre Oosten stierf soms een op de tien mensen.

Victor Vaughan, de arts die binnen het Amerikaanse leger was belast met het volgen van de verspreiding van besmettelijke ziekten, was ontdaan toen hij de rapporten over de ziekte ontving: ‘Als de epidemie met deze rekenkundige versnelling doorzet, kan de beschaving in enkele weken van de aardbol zijn verdwenen’, noteerde hij.

Medicijn: terpentine en strychnine

De medische stand begreep niets van ‘de Spaanse griep’ en verbaasde zich erover dat de ziekte, anders dan bij eerdere epidemieën, het hardst toesloeg bij de jongsten en sterksten.

Normaliter overleden vooral kinderen en ouderen, maar deze moordenaar had een voorliefde voor 15- tot 45-jarigen.

Overal trachtten onderzoekers de oorzaak en remedie te vinden. De meesten dachten dat er een virus in het spel was, influenza B, maar al snel bleek dat een deel van de zieken dat virus niet had. Bij anderen vonden de onderzoekers veel andere virussen en bacteriën die net zo goed de oorzaak konden zijn.

De wetenschap kende al virussen sinds eind 19e eeuw, maar tot dusver was er nog geen microscoop sterk genoeg om met zekerheid een virus te identificeren. 

Pogingen om vrijwilligers virussen toe te dienen die misschien de ziekte veroorzaakten, leidden tot niets. Om toch een behandeling te kunnen geven grepen artsen naar wanhoops­middelen. 

In Griekenland plakte een arts mosterdpleisters op zijn patiënten, ving de vloeistof uit de ontstane blaren op en spoot deze, vermengd met morfine, strychnine en cafeïne, in de zieke.

In Italië kregen patiënten om de twaalf uur melklavementen gemengd met wat creosoot (een stof o.a. gebruikt voor houtbescherming). Oude middelen als koppen zetten (vacuümtherapie) en aderlating werden uit het medisch vergeetboek gehaald.

Een gezin dacht dat het gezond zou blijven omdat de moeder bij alle maaltijden knoflook serveerde. Duizenden kinderen werden gedwongen zout op te snuiven en een vrouw in Alberta (Canada) wist zeker dat ze was genezen door terpentinecompressen op de borst.

Een richtlijn van het Britse oorlogsministerie beval alcohol aan als preventie. De Amerikaanse overheid was minder specifiek: mensen moesten hun hand voor hun mond houden als ze hoestten, hun lichaam en mond schoon houden en strakke kleding vermijden.

De Spaanse griep was vogelgriep

De griep waar in 1918-1919 honderden miljoenen mensen mee besmet raakten en waar 50 miljoen mensen aan stierven, was niet alleen extreem besmettelijk maar ook zeer dodelijk. Daarom probeerden wetenschappers sinds 1918 het kwaadaardige virus te identificeren, waar ze in 2004 in geslaagd zijn.

Amerikaanse onderzoekers bestudeerden plakjes van het longweefsel van een Amerikaanse soldaat die in 1918 aan de ziekte overleed. Ze reconstrueerden de genensequentie die 86 jaar eerder in de longen van de soldaat op het oppervlak van het dodelijke virus zat, en bestudeerden de vorm met behulp van geavanceerde röntgentechnologie. De conclusie luidde dat het virus van 1918 sterk leek op de vogelgriep die de wereld in 2003 in zijn greep hield.

De gevaarlijkste grieptypen zijn te vinden bij vogels. Normaal kunnen die alleen van vogel op mens overgaan, en niet van mens op mens. Onderzoek uit 2004 toonde echter aan dat het virus van 1918 gemuteerd was, waardoor het ook van mens op mens kon overgaan. Killervirussen van vogels kunnen dus ook in de toekomst uitgroeien tot pandemieën.

De paranoia grijpt om zich heen

Zonder verklaring van de wetenschap begon de bevolking te speculeren. In de oorlogshetze dachten velen dat de ziekte het werk van de Duitsers was. Al in juni 1918 beschreef de New York Times de nieuwe plaag als ‘de Duitse ziekte’.

Later ging het gerucht dat Duitse onderzeeërs het influenzavirus de VS in hadden gesmokkeld en hadden losgelaten in theaters en op druk bezochte plekken­.

Sommigen waren ervan overtuigd dat het nieuwe wapen van de oorlog, gifgas, de epidemie veroorzaakte, anderen zagen de rook van ontploffende granaten samen met de lucht van rottende lijken in de loopgraven als oorzaak.

De meesten hadden meer aardse en vreedzame verklaringen, bijvoorbeeld dat de ziekte door vodden of vuil afwaswater kwam.

Voor ondernemende zakenlieden bood de Spaanse griep kansen. ‘U kunt de ziekte weghouden door de voeten droog te houden’, lokte een schoenwinkel, en een kwakzalver beloofde: ‘u bent veilig als u Father John’s medicijn neemt’.

De fabrikant van Vick’s Vapo-Rub, een zalf die op hals, rug en borst moest worden gesmeerd, verklaarde dat de zalf via de luchtwegen ‘rechtstreeks naar de getroffen delen’ werd gevoerd. 

Vooral het Rode Kruis spande zich in om personeel voor de ziekenhuizen te rekruteren. In St. Louis in Missouri (VS) reden de ambulances vrijwel dag en nacht rond door de lege straten. 

© Scanpix/AKG

De epidemie stopt plotseling

Ogenschijnlijk was er helemaal niets wat de Spaanse griep indammen. Maar net zo plotseling als hij was ontstaan, verdween hij ook weer.

Nadat op 11 november 1918 de klokken hadden geluid voor de wapenstilstand, ebde de epidemie weg. In grote steden in de VS gaven sirenes aan dat de burgers hun maskers konden afzetten en hun gewone leven weer konden oppakken. 

In de winter en lente kwamen er nieuwe ziektegolven, maar minder en zwakker. De epidemie stierf uit, zonder dat een oorzaak of behandeling was gevonden. Pas in 2004 ontdekten Amerikaanse onderzoekers dat het vogelgriep was geweest. 

Historici denken dat de Spaanse griep aan 50 miljoen mensen het leven heeft gekost. De ziekte maakte in één jaar meer doden dan de pest, de zwarte dood, in een eeuw.

Er vielen meer dan vijf keer zoveel doden door ziekte dan op de slagvelden. Het wegvallen van zo veel jonge en sterke mensen maakte de wederopbouw moeilijk. In het collectieve bewustzijn had de ziekte een soort depressie teweeggebracht. 

Het geloof in de weten­­schap en het vermogen van de mens om het leven te sturen, hadden een flinke deuk opgelopen. 

De teleurstellingen vermengden zich met de herinnering aan de oorlog in een wereld waarin, in de woorden van schrijver F. Scott Fitzgerald, ‘alle goden dood zijn, alle oorlogen uitgevochten, alle geloof in de mens wankelt op zijn grondvesten’.

De Spaanse griep luwde begin 20e eeuw, maar je kunt erover blijven lezen.

Ontdek het lichaam

Met Wetenschap in Beeld leer je meer over verborgen zintuigen, elektrische signalen en miljoenen witte en rode bloedcellen die zich een slag in de rondte werken om jou in leven te houden.

Op dit moment krijg je:

12 nummers van Wetenschap in Beeld

En een Bluetooth Life Tracker

Voor slechts € 59,95. KLIK HIER

Lees ook

John M. Barry: The Great Influenza. The Epic Story of the Deadliest Plague in History, Penguin Books, 2004. Alfred W. Crosby: America’s Forgotten Pandemic. The Influenza of 1918. Cambridge University Press, 2003.

Bekijk ook ...

ONTVANG DE NIEUWSBRIEF VAN WETENSCHAP IN BEELD

Je ontvangt je gratis special, Onze extreme hersenen, als download zodra je je hebt aangemeld voor onze nieuwsbrief.

Ook gelezen

Niet gevonden wat je zocht? Zoek hier: