Alle psychische ziekten hebben dezelfde oorsprong

Geneeskundeboeken beschrijven honderden geestesziekten, maar genetisch onderzoek duidt er nu op dat vele dezelfde oorzaak hebben. In de DNA-code ligt de kiem voor van alles, van PTSS tot schizofrenie, en dat opent nieuwe wegen voor goede therapieën.

Geneeskundeboeken beschrijven honderden geestesziekten, maar genetisch onderzoek duidt er nu op dat vele dezelfde oorzaak hebben. In de DNA-code ligt de kiem voor van alles, van PTSS tot schizofrenie, en dat opent nieuwe wegen voor goede therapieën.

claus lunau

Als je een tijdje niet zo lekker in je vel zit, heb je misschien wel een depressie te pakken. Stemmingswisselingen zijn een teken van een bipolaire stoornis. En waanvoorstellingen kunnen op schizofrenie duiden.

Dikke geneeskundehandboeken vermelden welke symptomen tot welke psychische diagnoses en therapie moeten leiden. Maar nieuw onderzoek stelt de psychiatrie voor een uitdaging.

In plaats van psychische aandoeningen elk als een aparte ziekte met eigen oorzaken te beschouwen, zien hersenonderzoekers en biologen een diagnose steeds vaker als een reeks symptomen die ontspringen aan één bron: kleine, verspreide weeffoutjes in de genetische code van de patiënten.

Bij het onderzoek van de laatste jaren zijn er afwijkingen ontdekt die terugkomen in de DNA-code van patiënten met allerlei psychische ziekten. Door die baanbrekende ontdekkingen kunnen psychische diagnoses binnen afzienbare tijd tot het verleden gaan behoren en is de weg vrij om psychiatrische behandelingen grondig te heroverwegen.

Eén op de vier mensen heeft last van psychische aandoening

Psychologen en psychiaters vermoeden al langer dat psychische aandoeningen een gemeenschappelijke onderliggende oorzaak hebben. Uit onderzoek blijkt dat kinderen van een ouder met schizofrenie zelf twee keer zoveel kans hebben op het ontwikkelen van een bipolaire stoornis.

Circa een kwart van de mensen lijdt ooit aan een psychische aandoening, maar statistieken tonen ook aan dat stoornissen zich soms opstapelen, dus patiënten met één diagnose krijgen er vaak meer bij.

De algemene neiging om een psychische ziekte te ontwikkelen heet de p-factor. Die naam komt van een concept in de psychologie, de algemene intelligentie of g-factor.

Het beschrijft hoe bijvoorbeeld logisch denkende mensen vaak ook hoog scoren op andere mentale vermogens, zoals taalvaardigheid of ruimtelijk inzicht.

Sinds de introductie in 2013 is het de theorie van de p-factor voor de wind gegaan. De eerste grote doorbraak in het leggen van een verband tussen genen en de geestelijke gezondheid kwam echter al in 2009, toen onderzoekers een genetische link ontdekten tussen schizofrenie en bipolaire stoornis.

Weeffoutjes overlappen elkaar

Toen wetenschappers van het International Schizophrenia Consortium in 2009 het totale genoom – het genetische materiaal – van 3000 patiënten met schizofrenie bekeken, speurden ze naar één of enkele genen die er de oorzaak van konden zijn.

In plaats daarvan troffen ze in de hele DNA-code duizenden weeffoutjes aan, die afweken van het normale, het humane referentiegenoom. Alle foutjes op zich hadden een gering effect, maar samen leidden ze tot schizofrenie. Uit de resultaten bleek bovendien dat dezelfde genvarianten zich voordeden bij patiënten met een bipolaire stoornis.

Psychische ziekten overlappen elkaar

In 2018 namen onderzoekers DNA van circa 265.000 psychische patiënten door. Zo ontdekten ze dat patiënten met schizofrenie, bipolaire stoornis, angst en depressie 40 procent van hun genvarianten gemeen hebben. De omvang duidt op eenzelfde achterliggende oorzaak van al deze ziekten.

Schizofrenie

Schizofrenie heeft overlap met de andere ziekten, behalve met posttraumatisch stresssyndroom (PTSS).

Depressie

Depressie heeft genvarianten gemeen met alle andere onderzochte diagnosen, maar gemiddeld minder dan schizofrenie.

Posttraumatisch stresssyndroom

Posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) en depressie delen de helft van hun genvarianten. Dat kan misschien verklaren waardoor PTSS niet bij iedereen even hevig is.

De theorie van de p-factor is sindsdien enorm versterkt. In 2018 nog, toen de grote internationale onderzoeksgroep Brainstorm Consortium het genoom onderzocht van 265.218 patiënten met 25 veelvoorkomende hersenaandoeningen. Daaruit bleek dat er gemiddeld 40 procent van de fouten terugkwam bij patiënten met allerlei psychische stoornissen. Bij bepaalde ziekten was de overlap zelfs nog groter: tegen de 80 procent voor depressie en angst.

Tegelijkertijd blijkt uit onderzoek dat neurologische ziekten als alzheimer en parkinson juist heel andere genetische achtergronden hebben.

Chip spit genoom door op fouten

Het inzicht in het verband tussen psychische ziekten is te danken aan SNP-chips, die in één DNA-monster de genen op miljoenen afwijkingen kunnen scannen.

SNP-chips sporen kleine variaties op in het complete erfelijk materiaal en worden ook gebruikt om een remedie te vinden tegen bijvoorbeeld diabetes type 2.

© Alamy

DNA bestaat uit lange strengen met vier bouwstenen, de nucleotiden. Deze bouwstenen – cytosine, guanine, adenine en thymine – staan elk voor een letter in de DNA-code. Ieders code heeft punten die afwijken van het normale. Zo kun je een T hebben waar anderen een G hebben.

De variaties heten enkel-nucleotide polymorfismen of SNP’s, uitgesproken als snips. Het genoom telt 6 miljard nucleotiden en mensen hebben gemiddeld 4 à 5 miljoen SNP’s. De meeste bevinden zich echter in een deel van het DNA waar ze de biologische functies van het lichaam niet beïnvloeden.

Ons DNA bestaat uit vier ‘letters’ – A en T en C en G – die paarsgewijs bij elkaar horen. Psychische ziekten zijn te wijten aan kleine afwijkingen in het DNA, SNP’s genoemd, waarbij iemand een ander letterpaar heeft dan normaal.

© David Eccles/Wikimedia Commons

Onderzoek van de afgelopen jaren duidt erop dat de som van deze SNP’s cruciaal is voor het ontstaan van de aandoeningen. Hoe meer SNP’s, hoe hoger de p-factor en dus ook het risico op psychische stoornissen. Zo’n aandoening ontstaat echter niet vanzelf bij een bepaald aantal; het verschilt sterk per persoon.

Volgens nieuwe onderzoeken kan de genetica circa 30 procent van de aanleg voor psychische stoornissen verklaren en is de rest toe te schrijven aan sociale aspecten, zoals misbruik of jeugdtrauma’s.

Afwijkingen verstoren de communicatie van de hersenen

Momenteel zoeken hersenwetenschappers uit hoe de genvarianten zich manifesteren als psychische ziekten, en hun onderzoeken beginnen al vrucht af te werpen.

In 2019 onderzochten artsen kinderen met een hoge p-factor en vergeleken ze hun hersenscans met die van andere kinderen.

Drie gebieden zagen er significant anders uit bij kinderen met een hoge p-factor: een gebied dat betrokken is bij de planning, een centrum dat de visuele input behandelt en het standaardnetwerk dat het overneemt wanneer de hersenen in rust zijn.

Bij een andere studie werden 7000 genen bekeken die betrokken zijn bij allerlei biologische lichaamsprocessen, en toen vergeleken met genetische afwijkingen bij mensen met de vijf meest voorkomende psychische ziekten. Slechts 14 genen overlapten, en vrijwel alle genen spelen een rol bij de werking van de zenuwcellen; met name in de synapsen, die signalen tussen hersencellen verzenden.

80 procent van de genvarianten overlapt bij mensen met bipolaire stoornis en schizofrenie.

Het laatste onderzoek duidt er dus op dat de p-factor over het algemeen de communicatie tussen hersencellen beïnvloedt.

Nu staan er uren werk in het laboratorium te wachten om dichter bij een verklaring te komen, maar volgens toonaangevende onderzoekers op dit gebied veroorzaakt een hoge p-factor problemen met onder meer helder denken en het in toom houden van emoties en een al te grote somberheid.

Ontwikkeling neigt naar een gelijke behandeling

Het genetische verband tussen psychische ziekten is niet volledig in kaart gebracht. Ondanks de aanzienlijke overlap zijn er ook genetische variaties die alleen bij bepaalde stoornissen tot uiting komen in unieke symptomen.

De p-factor is dus niet simpel, maar de ontdekking van één basale oorzaak heeft er al toe geleid dat psychologen en psychiaters duidelijk anders tegenover de behandeling van patiënten staan.

De focus moet bijvoorbeeld worden verlegd van de diagnose naar behandeling van symptomen, zoals gesprekstherapie, die voor allerlei stoornissen positieve resultaten opgeleverd heeft. Ook moet de behandeling worden gelijkgeschakeld en niet op allerlei ziekten worden afgestemd, zoals tot dusver.

Soms schrijven artsen bij verschillende diagnoses al dezelfde medicijnen voor, maar op basis van losse ervaringen.

Onderzoek toont aan dat medicijnen tegen angst in het algemeen even goed werken als medicijnen die zijn ontwikkeld voor bijvoorbeeld OCS en paniekaanvallen. Dankzij deze nieuwe kennis wordt er nu gezocht naar één pil die bij tal van psychische ziekten werkt.

Stap twee is het kraken van de biologische code van de p-factor, zodat artsen weten tegen welke onderliggende mechanismen ze het medicijn moeten voorschrijven. En dit zal de weg vrijmaken voor het herstellen van de weeffouten waarmee we behept zijn.