Uit het archief van de wetenschap: ‘Criminelen zijn als dieren’

In 1871 beweert de Italiaanse arts Cesare Lombroso dat misdadigers dierlijke eigenschappen hebben waaraan hun criminele gedrag is af te lezen. Laat die getuigenverhoren maar zitten, zegt hij tegen de politie, en meet voorhoofd, kin en oren van de verdachte op.

In 1871 beweert de Italiaanse arts Cesare Lombroso dat misdadigers dierlijke eigenschappen hebben waaraan hun criminele gedrag is af te lezen. Laat die getuigenverhoren maar zitten, zegt hij tegen de politie, en meet voorhoofd, kin en oren van de verdachte op.

Wellcome Collection/MEPL/Ritzau Scanpix

Op een koude, donkere ochtend in november 1871 zet dokter Cesare Lombroso het mes in een lijk. De man die hij ontleedt aan de universiteit van Pavia werd 70, heette Giuseppe Villella en stierf in de gevangenis.

Lombroso had kort tevoren een gesprek met Villella, dat hij zeer interessant vond, vooral omdat de misdadiger ijskoud overkwam en graag opschepte over zijn wandaden. Bij de autopsie kan de arts en wetenschapper de gevangene onderzoeken en een theorie bevestigen waar hij al lang aan werkt.

Lombroso maakt een snee in Villella’s nek en legt de plek bloot waar de ruggengraat aan het hoofd vastzit, maar plotseling stopt hij.

Hij heeft een kuiltje in de schedel gezien, dat direct gemeten moet worden. Het blijkt 3,4 cm lang, 2,3 cm breed en 1,1 cm diep te zijn, maar ondanks de bescheiden afmetingen is het genoeg om Lombroso een aha-moment te bezorgen.

Zelf beschrijft hij het moment tijdens de autopsie in Pavia als volgt: ‘Plotseling zag ik duidelijk – als een grote vlakte verlicht onder een vuurrode hemel – wat het probleem is met de aard van de crimineel: hij is een atavistisch wezen met woeste instincten die stammen van de primitieve stadia van de mens en inferieure diersoorten.’

Aan de binnenkant van de schedel van de crimineel Guiseppe Villella vond dokter Cesare Lombroso diepe groeven, zoals gibbons ook hebben. Als Lombroso een autopsie had uitgevoerd op verschillende lijken, zou hij hebben opgemerkt dat groeven in de schedel vrij vaak voorkomen bij mensen.

© Fondo Antiguo de la Biblioteca de la Universidad de Sevilla

Lombroso denkt dat criminelen worden beïnvloed door atavisme – een stap terug in de menselijke ontwikkeling – en dierlijker zijn dan gehoorzame burgers.

Het kuiltje in Villella’s schedel komt ook voor bij apen en knaagdieren, noteert de Italiaan. Zijn hart bonst, want Lombroso is er zeker van dat hij zojuist geschiedenis heeft geschreven: hij heeft het mysterie van de misdaad opgelost.

Hoewel de 36-jarige wetenschapper zijn theorie met niets anders kan onderbouwen dan observaties, bakerpraatjes en vooroordelen, gaat hij er een boek over schrijven, want de roem lonkt.

Soldaten inspireren onderzoeker

Cesare Lombroso werd in 1835 geboren in de Italiaanse stad Verona. Zijn vader was een rijke zakenman, en het familievermogen gaf zijn zoon onvoorstelbare kansen – en problemen bij het kiezen van een carrière. Hij begon met taalkunde, archeologie en literatuur, maar uiteindelijk viel zijn keuze op de studie geneeskunde.

Lombroso vergeleek de schedels van 121 veroordeelde criminelen met die van 328 Italianen zonder strafblad. Na bestudering van de resultaten stelde hij vast dat criminelen doorgaans een kleine schedel hadden van 1101 tot 1300 cm³. Volgens de arts hadden brave lieden de grootste hoofden, vaak van meer dan 1501 cm³.

© SPL

Als jongeman was hij veldarts tijdens de Tweede Italiaanse Onafhankelijkheidsoorlog in 1859, en tijdens het verzorgen van de troepen zag de snobistische Lombroso iets nieuws: tatoeages. Meestal waren de motieven ‘obsceen’, vond hij, en kwamen ze voor bij mannen wier moraal volgens hem te wensen overliet.

Toen Lombroso het leger verliet en hoogleraar psychiatrie werd aan de universiteit van Pavia, bleef de gedachte aan de tatoeages en hun betekenis hem achtervolgen. In het boek L’uomo delinquente (de misdadige mens) schreef hij in 1876: ‘Mensen die in contact zijn geweest met criminelen, weten dat zij anders zijn dan gewone mensen.

Om te achterhalen of hun aard hen simpelweg drijft tot het plegen van misdaden, moeten we hun fysiek en psychologie bestuderen.’

Uiterlijk verraadt de schurk

Vooral het fysiek van misdadigers hield Lombroso bezig, en met meetlint, liniaal en ingenieuze instrumenten mat hij dode criminelen op.

Van gebit en handen tot voeten en haarkleur, alles werd geanalyseerd en gelinkt aan criminaliteit.

© La Biblioteca de la Universidad de Sevilla

Alles is te zien aan de hand

Criminelen hebben lange vingers en vaak aapachtige handen, beweerde Lombroso: ‘De aap is een echte zakkenroller. Terwijl hij wordt geaaid, graait hij in de zakken en steelt hij ongemerkt.’ Een afbeelding in de vijfde editie van het boek L’uomo delinquente toonde in zwart-wit hoe zakkenrollers, geweldplegers en moordenaars volgens Lombroso konden worden herkend aan hun aapachtige handen.

Gibbonhand = zakkenroller

Orang-oetanhand = geweldpleger

Chimpanseehand = moordenaar

Lombroso schuwde drastische conclusies op basis van zijn vaak magere cijfers, die hij zelf als serieus onderzoek beschouwde, niet: ‘Er is bijna altijd iets vreemds aan het uiterlijk van een crimineel,’ stelde de wetenschapper vast.

Lange armen, kleine schedels en krachtige kaken waren slechts enkele van de kenmerken waar de politie op moest letten bij het onderzoeken van verdachten van een misdrijf.

In de eerste editie van L’uomo delinquente baseerde de ijverige arts zijn theorie over kleine schedels op hoofdmetingen van slechts 66 criminelen – zonder het resultaat te vergelijken met metingen van een overeenkomstig aantal brave Italianen.

Lombroso durfde te stellen dat criminele neigingen niet alleen aangeboren waren, maar ook gemakkelijk te herkennen waren als de politie wist waar ze op moest letten.

Uit metingen bij 832 criminelen in de Italiaanse gevangenissen bleek dat misdadigers doorgaans iets langer dan gemiddeld waren en ‘dat hun uiterlijk verfijnd noch prettig is,’ schreef Lombroso.

Dieven hadden volgens de dokter expressieve gezichten, kleine scheefstaande ogen, dikke wenkbrauwen en kromme neuzen. Verkrachters waren te herkennen aan hun zeiloren, priemende ogen en volle lippen.

Mond nakijken op wolventanden

Moordenaars vormden een hoofdstuk op zich. Beginners hadden smalle lippen, terwijl seriemoordenaars mensen koude blikken toewierpen vanuit hun vaak bloeddoorlopen ogen. Ze hadden ook een grote arendsneus en een volle bos roetzwart haar.

‘Er is bijna altijd iets vreemds aan het uiterlijk van een crimineel.’ Cesare Lombroso

Bij de jacht op seriemoordenaars was het ook de moeite waard om het gebit van de verdachten te onderzoeken, benadrukte Lombroso, want als een man al meerdere keren iemand had gedood, zou hij waarschijnlijk hoektanden zo groot als die van een wolf hebben.

L’uomo delinquente was echter geen praktisch handwerk, mocht de politie er gebruik van willen maken. Na bestudering van dieven, verkrachters en moordenaars bracht Lombroso de lezer in de war met de volgende conclusies.

‘Bijna alle criminelen hebben zeiloren, dik haar en een dunne baard.’ Daarna strooide hij met cijfers over veroordeelde misdadigers die zijn eigen beweringen ondermijnden. Zo had slechts 28 procent van de criminelen die Lombroso opmat, zeiloren, terwijl die een duidelijk teken van criminaliteit zouden zijn.

Ook vrouwelijke criminelen kwamen aan bod. Ze waren meestal ‘kleiner dan andere vrouwen en menstrueerden al jong,’ schreef Lombroso. Volgens zijn onderzoek waren niet alle tekenen van misdaad aangeboren afwijkingen. Verstokte misdadigers werden met de jaren getekend door hun handelingen.

Abnormale oren waren een ander zeker teken dat iemand een misdaad had gepleegd, dacht Lombroso – al lieten zijn cijfers zien dat slechts 9 procent van de opgemeten criminelen ongewoon grote oren had.

© SPL/Wellcome collection

Rimpels, vooral rond neus en mond, kwamen veel voor doordat misdadigers de neiging hadden om uit te barsten in hoongelach, dat – als het vaak genoeg herhaald werd – blijvende rimpels veroorzaakte.

Smalle lippen waren het kenmerk van andere criminelen, die hun lippen samenknepen tot een hatelijke grimas terwijl ze hun wandaden begingen, beweerde de wetenschapper.

Kaak van misdadigers groeit

Een van de meest bizarre theorieën van Lombroso was dat wrede criminelen te herkennen waren aan hun forse onderkaak. Geweldplegers en moordenaars zouden hun kiezen op elkaar klemmen tijdens het slaan, schoppen en steken, waardoor de botten werden beïnvloed en de kaak groeide.

De ergste criminelen waren dus te vinden door te zoeken naar mannen met een onderbeet of krachtige kaken. De grote kaken duidden op onverzettelijkheid, maar ook op een onvolmaakte evolutie.

‘Door deze eigenschappen doen ze meer denken aan de zwarte Amerikaan, het Mongoolse ras of de prehistorische mens dan aan het blanke ras,’ vond Lombroso.

Natuurlijk bevatte de eerste editie van L’uomo delinquente ook een heel hoofdstuk over de tatoeages die Lombroso oorspronkelijk op het spoor brachten van de theorie dat criminelen primitieve mensen zijn in een lager ontwikkelingsstadium:

‘Lelijke mensen zijn misdadigers’

Criminelen zijn te herkennen aan hun asymmetrische gezicht en lelijkheid, beweerde Lombroso. Tijdens zijn lezingen liet hij foto's zien van veroordeelde criminelen.

© MEPL/Ritzau Scanpix

Kaak van criminelen groeit

Criminelen ontwikkelden een krachtige onderkaak doordat ze tijdens het slaan hun kiezen op elkaar klemden.

© MEPL/Ritzau Scanpix

Misdadiger heeft donkere ogen

Volgens Lombroso hadden criminelen donkere ogen. De ogen van dieven en pyromanen waren echter grijs.

© MEPL/Ritzau Scanpix

Donker haar verraadde boeven

Dik, donker haar kenmerkte vooral rovers, maar alle criminelen hadden een volle bos.

‘Onder Europeanen is atavisme de meest voorkomende verklaring voor tatoeages. Alle primitieve stammen zetten door de eeuwen heen tatoeages, en het is logisch dat een gebruik dat bloeide onder primitieve en prehistorische volken opduikt bij de onderklasse van Europa,’ verklaarde Lombroso.

De onderklasse bestond volgens de arts uit boeren, zeelieden, arbeiders, herders, soldaten en criminelen. Hij raadde de autoriteiten aan getatoeëerde mannen goed in de gaten te houden, al spraken zijn eigen cijfers hem opnieuw tegen.

Onder gezagsgetrouwe soldaten had 11,6 procent tatoeages, terwijl slechts 6 procent van de criminelen tatoeages kon laten zien. Lombroso’s boek trok veel aandacht en werd besproken in Europese kranten.

Critici vielen over het gebrek aan statistieken van gehoorzame burgers, waardoor de cijfers niet konden worden vergeleken.

In de tweede editie, die twee jaar later al verscheen, betreurde Lombroso het dat hij nauwelijks aan de vraag naar meer statistische gegevens kon voldoen, maar dat zou hij later goedmaken.

Vervolgens wierp hij zich op nieuwe duidelijke kenmerken van criminaliteit, waaronder het handschrift.

Moordenaars, overvallers en bandieten maken langgerekte letters. Zo wordt het streepje door de t vaak verlengd, beweerde Lombroso. Hij dacht nu ook bewijs te hebben gevonden dat de criminele geest erfelijk was.

Kinderen van criminelen traden opvallend vaak in de voetsporen van hun ouders: 6,4 procent kwam uit drankzuchtige gezinnen, 3 procent had een ouder in de gevangenis en 26 procent kwam uit een huis met een ‘slechte reputatie’, las Lombroso in officiële statistieken van 2800 jeugdcriminelen.

Lombroso wil getuigen laten zitten

Van 1876 tot 1884 was Lombroso een veelgevraagd spreker die graag foto’s liet zien van veroordeelde criminelen, zodat het publiek kon huiveren bij hun grimmige uiterlijk.

Hij werke ook aan een derde, sterk uitgebreide editie van zijn boek. Toen het in 1884 verscheen, bevatte het een bedankje aan 45 met naam genoemde Europese onderzoekers die zijn ideeën zouden hebben omarmd.

‘Net als het nederige insect dat stuifmeel verspreidt, heeft dit boek ervoor gezorgd dat een zaadje ontkiemt en een vrucht wordt.’

Het boek beschreef een bizar experiment waarin Lombroso probeerde te bewijzen dat criminelen te herkennen waren aan het feit dat ze niet konden blozen.

© Alessandro Albert/Getty Images

Voorhoofd en kaak verraden criminelen

Lombroso was controversieel en kreeg kritiek op de stellige conclusies die hij trok op een twijfelachtige statistische basis. Maar hij had ook veel aanhangers, die hem beschouwden als een van de grondleggers van de moderne criminele antropologie. Zijn theorie dat sommige mensen geboren criminelen zijn, was koren op de molen van nazi’s en fascisten.

Laag voorhoofd = misdadiger

Krachtige kaak = misdadiger

‘Eeuwenlang werd het niet kunnen blozen gezien als een teken van amoreel gedrag en oneerlijkheid,’ schreef Lombroso, die zoals gewoonlijk onbekommerd uitging van vooroordelen en anekdotes. Vervolgens lichtte hij zijn experiment toe.

59 jonge criminelen van 19-26 jaar werden een voor een naar een kamer geleid waar Lombroso ze zwijgend aanstaarde, in de verwachting dat ze niet zouden blozen van schaamte. 61 procent bloosde echter wel, tot Lombroso’s teleurstelling, maar toen richtte hij zich op de manier waaróp ze bloosden.

‘In tegenstelling tot normale mensen bleef hun blos beperkt tot hun wangen en voorhoofd – en toen we hen een berisping gaven voor hun misdaden, bloosden ze ook niet normaal, ook al wisten we dat ze rood werden in hun cel als ze bijvoorbeeld ruzie hadden met iemand,’ schreef Lombroso.

De Italiaanse wet sloeg eind 19e eeuw nergens op, vond de beroemde wetenschapper, want als iemand die overtrad – niet vanwege jaloezie of woede bijvoorbeeld, maar omdat hij zich in een laag ontwikkelingsstadium bevond, het niveau van prehistorische mensen – was er geen hoop dat straf hem tot inkeer bracht.

De wetten moesten worden aangepast aan het feit dat de ‘geboren crimineel’ zijn leven nooit zou beteren. Toen Lombroso in 1895 over het onderwerp werd geïnterviewd, raadde hij een harde hand aan.

‘Als de veroordeelde crimineel is geboren, moet hij levenslang krijgen, ook als het niet om een groot misdrijf gaat.’

Hij voerde ook aan dat de doodstraf de beste oplossing zou zijn om de samenleving te beschermen tegen de vele recidivisten. Hij ging zelfs zo ver om voor te stellen dat jury’s zouden worden afgeschaft wanneer een verdachte voor de rechtbank kwam.

Het probleem met jury’s was volgens Lombroso dat ze ‘hun hart volgden in plaats van de feiten’.

Hij had wel een idee hoe een proces in de toekomst eerlijk kon verlopen.

Na een korte presentatie van de zaak moesten deskundigen iets vertellen over de lengte, de schedelgrootte en het gewicht van de beschuldigde, en over de antropologische kenmerken – bijvoorbeeld of de persoon een hoge pijngrens had, wat een typisch crimineel kenmerk was. Aan de hand van deze informatie kon de rechter vervolgens vaststellen of de verdachte schuldig of onschuldig was.

Fascisten pikken de theorie

Begin 20e eeuw werd er in heel Europa nog gedebatteerd over Lombroso’s boeken. Wanneer de Italiaanse onderzoeker de kritiek moeilijk kon pareren met feitelijke argumenten en statistieken, probeerde hij zijn lezers duidelijk te maken dat er iets mis was met de sceptici.

‘Het is hopeloos te verwachten dat blinden plotseling zien, en nog hopelozer om dat te verwachten van degenen die doen alsof ze blind zijn omdat ze niet willen zien.’

Volgens forensische wetenschappers lopen kinderen uit gewelddadige gezinnen een groter risico om als volwassenen geweld te plegen.

© Shutterstock

Arts spoorde aan tot later onderzoek

Hoewel Cesare Lombroso’s ideeën sindsdien zijn weerlegd, zijn onderzoekers nog altijd geïnteresseerd in de vraag of criminelen mentale kenmerken gemeen hebben.

Onderzoekers zijn het erover eens dat psychologische en biologische (aangeboren) eigenschappen en sociale omstandigheden (zoals armoede en opvoeding) meetellen.

Daarnaast spelen cycli een rol. Kinderen die bijvoorbeeld aan geweld worden blootgesteld, worden zelf vaker gewelddadig als volwassene.

Ondanks kritiek werd de omstreden arts in verschillende landen serieus genomen. In zijn eigen land, Italië, kwam zijn invloed terug op het formulier dat begin 20e eeuw werd gebruikt door Italiaanse huizen van bewaring om verdachten te registreren.

Het bevatte ruimte om onder meer hun anatomische kenmerken en pijngrens te vermelden. Volgens Lombroso kon een test van de pijngrens uitwijzen of iemand waanzin voorwendde om aan de straf te ontsnappen.

Lombroso stierf op 19 oktober 1909, maar zijn ideeën leefden voort. Toen de fascisten 11 jaar later in Italië aan de macht kwamen, kreeg een van zijn bewonderaars, Benigno Di Tullio, een centrale rol bij het vormgeven van het strafrecht. Op zijn initiatief richtten de fascisten gesloten instellingen op voor kinderen uit ‘slechte huizen’.

Daar onderzochten artsen en wetenschappers de kinderen om te beoordelen of ze zich tot criminelen zouden ontwikkelen. Pakte het onderzoek ongelukkig uit, dan konden onschuldige kinderen uit huis worden geplaatst en voor onbepaalde tijd worden opgesloten.