1. Wanneer een slang een grote prooi verzwelgt, is zijn keel soms uren geblokkeerd. Hoe kan de slang dan toch gewoon blijven ademen?
A. Hij ademt dan niet. De slang houdt zijn adem in totdat de prooi volledig doorgeslikt is.
B. Hij duwt zijn luchtpijp helemaal naar voren in zijn mond, zodat hij door kan blijven ademen.
C. Hij ademt door de kleine poriën tussen zijn schubben. Normaal zijn die bedekt, maar als de huid van de slang door een grote prooi oprekt, gaan ze open.
2. Veel slangen zijn heel goed in bomen klimmen. Ze kunnen zich makkelijk om dunne takken heen winden, maar welke techniek gebruiken ze als ze via een dikke stam omhoog moeten?
A. Ze zetten hun tanden in de bast en trekken zich zo omhoog.
B. Ze hebben hebben brede schubben aan de buikzijde, waarvan de randen zich aan de oneffenheden van de bast vastgrijpen.
C. Ze scheiden kleverige slijm af aan de onderkant, waardoor ze net als een slak aan de boom kunnen blijven zitten.
3. Slangen kunnen niet zweten, dus wat doet een slang dan als hij het te warm heeft?
A. Hij steekt zijn tong uit zijn bek en hijgt als een hond die het te warm heeft.
B. Hij gaat in de schaduw liggen of onder de grond.
C. Hij rolt zich half op, zwaait heen en weer met het puntje van zijn staart en veroorzaakt zo een koel briesje.