Hoe kom je met springen het verst?

1 september 2009

Verspringen bestaat uit een aanloop, afzet, zweeffase en landing. In de aanloop moet de atleet zo veel mogelijk vaart maken en z’n lichaam in positie brengen voor de afzet. Om te springen moet hij eerst zakken voor hij zich afzet, wat de snelheid vertraagt. Bij de laatste aanlooppas moet hij daarom zijn lichaam in een positie brengen die de grootste kracht teweegbrengt, zonder te veel voorwaartse snelheid te verliezen. De voorlaatste pas van de atleet is vaak lang, het zwaartepunt van het lichaam zakt, gevolgd door een korte laatste pas zodat de afzet zo verticaal mogelijk wordt. Als de atleet zijn voet op de afzetbalk plaatst, zijn been buigt en het met grote kracht weer strekt, is dat te vergelijken met een veer. Bij het samenpersen wordt in de spieren en pezen energie opgeslagen en bij het uitstrekken wordt deze energie omgezet in een opwaartse beweging in een hoek van ongeveer 21 graden. Tijdens de sprong strekt de atleet zich uit of ‘rent’ hij door de lucht om niet voorover te buitelen. Bij de landing moet het lichaam het liefst net iets verder zijn dan de hielen, zodat de atleet niet achterover valt.

Bekijk ook ...

ONTVANG DE NIEUWSBRIEF VAN WETENSCHAP IN BEELD

Je ontvangt je gratis special, Onze extreme hersenen, als download zodra je je hebt aangemeld voor onze nieuwsbrief.

Ook gelezen

Niet gevonden wat je zocht? Zoek hier: