Verspringen bestaat uit een aanloop, afzet, zweeffase en landing. In de aanloop moet de atleet zo veel mogelijk vaart maken en z’n lichaam in positie brengen voor de afzet. Om te springen moet hij eerst zakken voor hij zich afzet, wat de snelheid vertraagt. Bij de laatste aanlooppas moet hij daarom zijn lichaam in een positie brengen die de grootste kracht teweegbrengt, zonder te veel voorwaartse snelheid te verliezen. De voorlaatste pas van de atleet is vaak lang, het zwaartepunt van het lichaam zakt, gevolgd door een korte laatste pas zodat de afzet zo verticaal mogelijk wordt. Als de atleet zijn voet op de afzetbalk plaatst, zijn been buigt en het met grote kracht weer strekt, is dat te vergelijken met een veer. Bij het samenpersen wordt in de spieren en pezen energie opgeslagen en bij het uitstrekken wordt deze energie omgezet in een opwaartse beweging in een hoek van ongeveer 21 graden. Tijdens de sprong strekt de atleet zich uit of ‘rent’ hij door de lucht om niet voorover te buitelen. Bij de landing moet het lichaam het liefst net iets verder zijn dan de hielen, zodat de atleet niet achterover valt.
Abonnement: In dit nummer kun je onder meer lezen over de wedloop om het aidsvaccin en lichten we een tipje van de sluier op over de auto's van de toekomst.
Abonnement: Download een complete uitgave van Wetenschap in Beeld. Helemaal gratis. Je hoeft alleen maar in te loggen als gebruiker van wibnet.nl.
Lees wat de journalisten Helle en Henrik Stub van Wetenschap in Beeld over het heelal te melden hebben.
Verdiep je in de grootste gebeurtenissen van de 2. Wereldoorlog.