ISS
I n het ISS, het internationale
ruimtestation, maak je 16 keer zonsopgang en zonsondergang mee in een etmaal. Toch worden de astronauten ze nooit zat. Een minuutje licht de atmosfeer op in een kleurensymfonie van ijle
slierten. Daartussen zien ze de
woestijnen, oceanen en
regenwouden rustig voorbij
trekken. En aan de horizon vlamt vaak het noorderlicht.
Vluchtingenieur Don Pettit zei daarover: ‘We vlogen door het noorderlicht over Canada, en het hele ISS lag in een zwak gloeiende rode mist. Onder ons liepen
rivieren van groen licht (...), net alsof we in een neonbuis zaten.’
Sinds 2010 is het uitzicht nog beter te bewonderen, want het ISS kreeg er een uitzichtkoepel bij, een zogeheten cupola. Met het blote oog kun je voorwerpen zien tot circa 500 meter breedte, maar met een kleine verrekijker kun je al
gebouwen, kielwater van schepen en kleine oases onderscheiden.
Als we de aarde zien vanuit het heelal, weten we weer wat we onze planeet aandoen. Een belangrijk deel van het astronautenwerk
bestaat uit het documenteren van veranderingen op aarde – en wat is nu er beter te zien dan de
brandende regenwouden op veel plekken ter wereld? Ook zijn de
astronauten geregeld getuige van tsunami’s, vulkaanuitbarstingen en aardbevingen. Maar er zijn ook minder schokkende ervaringen,
en dankzij duizenden foto’s kunnen we ook al het moois meebeleven.









